Ungers en Koolhaas: stedelijke condities en architectonische vorm

  • Lara Schrijver

Abstract

De kritiek die Koolhaas in 1990 op het symposium Hoe modern is de Nederlandse architectuur? uit, gaat over het krampachtige van de Nederlandse architectuur. Hij hekelt de veiligheid, de keurigheid en vooral het alles onder controle willen houden. Dit staat lijnrecht tegenover de mogelijkheden die zouden kunnen ontstaan als het vak ‘accepteert’ wat er ontstaat buiten de regeltjes om. Tegelijkertijd merkt hij tijdens het symposium op dat Nederlandse steden te lijden hebben onder een mythevorming van de ‘sympathieke’ historische kern, en dat daarbuiten alles maar aan zijn lot wordt overgelaten. De krampachtigheid in de binnensteden leidt tot verwaarlozing daarbuiten. In deze optiek is de verrommeling van het landschap iets wat niet ondanks, maar juist door het verzet tegen de ‘maalstroom van de modernisering’ ontstaat. Tegenover de extreme vorm van sociaalruimtelijk determinisme die hij ziet in Nederland, probeert Koolhaas alternatieven te schetsen.

Het vroege werk van Koolhaas bevat hier al aanzetten toe. Tot aan de publicatie van Delirious New York staat zijn werk sterk in het teken van de dan optredende verschuivingen in stedelijke en architectonische paradigma’s. Dit uit zich onder andere in de verwantschap met het werk van Oswald Mathias Ungers, die zowel een losse verbintenis had met Team X als een aantal standpunten deelde met Aldo Rossi. Koolhaas heeft in eerste instantie bij Ungers gestudeerd en daarna ook aan projecten voor Ungers gewerkt. Beiden opperen een andere rol van het architectonische object in de stad dan hun collega’s op dat moment propageren. Het gebouw staat centraal als object, niet als een geconcretiseerd ideaal. Hiermee biedt het werk van Koolhaas en Ungers tussen 1968 en 1978 een ander perspectief op de hedendaagse Europese stad. Het spanningsveld van tegenstrijdigheden dat zij steeds opnieuw oproepen, creeert de ruimte om de mogelijkheden van het ‘realisme’ waarnaar Generic City verwijst, te onderkennen.

Het werk van Koolhaas roept nogal eens vragen op, en in Nederland in het bijzonder heeft zijn werk regelmatig haaks op de dan geldende inzichten gestaan. Daarmee stelde hij de architectuurkritiek ook regelmatig voor dilemma’s. Te denken valt aan de ambivalentie die spreekt uit het juryrapport over de uitbreiding van de Tweede Kamer: ‘Het is in deze omgeving een hard plan waarvan de intellectuele pretentie in de architectonische doorwerking niet wordt waargemaakt… Omdat dit ontwerp door een shockeffect de gedachten over ontwerp en situatie, ook voor de algemene discussie over de waarden van architectuur en stedebouw, in beweging kan zetten, heeft de jury gemeend dit plan met een premie te belonen.’1 Zijn eigen verhouding tot de Nederlandse context komt onomwonden tevoorschijn in een vroeg interview met Hans van Dijk. Op de vraag of hij de onderwijscontexten van New York, Londen en Delft wil vergelijken antwoordt hij: ‘Van Delft kan ik zeggen dat het de meest verloederde onderwijssituatie is die ik ooit in mijn leven ben tegengekomen. Er heerst hier een groot wederzijds negeren. Ook heeft juist de aandacht voor het menselijke, het warme, het sociaalbewogene en het politieke geleid tot een volkomen wegebben van het bewustzijn van de architectuur als een formele kunst. Vandaar dat alle formele theorieën hier ontstellend primitief zijn. Dat zogenoemde Hollandse Structuralisme is toch van een ontstellende plompverlorenheid en naïviteit?’2 Dit alles weerhield hem er echter niet van om een tijdelijk hoogleraarschap te aanvaarden aan de TU Delft. Hier kreeg hij tijdens het symposium Hoe modern is de Nederlandse architectuur? de kans om vragen te stellen die het ongemak blootlegden waarmee de TU Delft omging met het modernisme in de architectuur. Het maakbaarheidsideaal was nog te prominent aanwezig om zich te kunnen verenigen met een aanvaarden van de werkelijkheid zoals Koolhaas die zou voorstaan in teksten zoals Delirious New York en het latere Generic City (afb. 13).

De gecompliceerde verhouding tussen het Nederlandse architectuurdebat, eind jaren zestig voornamelijk gedomineerd door Van Eyck, en het werk (en ook de ongrijpbare persoonlijkheid) van Rem Koolhaas heeft misschien wel bijgedragen aan een interpretatie van zijn werk, waarin zijn weigering om expliciet over de formele kanten van de architectuur te spreken wordt ondersteund – juist dit architectuurdebat richt zich graag primair op functie en programma. Daarmee wordt wel vaak de aandacht gericht op zijn achtergrond als scenarioschrijver, en te weinig gesproken over zijn werk als architect.

How to Cite
SCHRIJVER, Lara. Ungers en Koolhaas: stedelijke condities en architectonische vorm. OverHolland, [S.l.], p. 52-63, dec. 2007. ISSN 1574-3160. Available at: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/overholland/article/view/1618>. Date accessed: 18 aug. 2019. doi: https://doi.org/10.7480/overholland.2007.6.1618.
Published
2007-12-01