Van Doornikse kalksteen tot beton ‘als het definitieve materiaal’. Het materiaalgebruik van spoorwegarchitect H.G.J. Schelling

  • Timo G. Nijland

Samenvatting

Architect H.G.J. Schelling, originally a civil engineer, designed several railway stations in the Netherlands from the 1920s to 1950s. Schelling’s works show a distinct development in terms of construction materials used. Early railway stations, such as Naarden-Bussum (1926) have façades in fired clay brick, with details in Doornik limestone, as dimension stone typical of medieval building in the Netherlands. Later railway stations such as Amsterdam-Muiderpoort (1937) and Amsterdam Amstel (1939) were constructed in concrete, but fired clay brick, and in the case of Amstel railway station French limestone (Bois fleuri) still dominates the façades. After the Second World War, Schelling designed a series of railway stations - Enschede (1950), Hengelo (1951), Zutphen (1952), Leiden (1953, demolished) and Arnhem (1954, largely demolished) - in which visible concrete dominates the façades. In his use of concrete, Schelling was strongly inspired by Perret. Schelling used various geometric forms (so-called claustra) and above all a careful selection of concrete aggregate (different types and colours of crushed bricks, pipes and roofing tiles, selected natural sands and chert, glass) and surface finishing methods to achieve aesthetic effects. The paper outlines Schelling’s development in choice of materials, largely in his own words.

Referenties

1 A. Evers, ‘Ir. H.G.J. Schelling c.i. 70 jaar’, Bouwkundig Weekblad 76(44), 1958, 509-511.

2 Evers 1958, 509.

3 H.G.J. Schelling, ‘De in gebruik genomen nieuwe stations te Amsterdam II’, Bouwkundig Weekblad 57(52), 1939a, 477-482 (i.h.b. 480).

4 H.G.J. Schelling 1939a, 480.

5 H.G.J. Schelling, ‘Nieuwe stations te Amsterdam’, Bouwkundig Weekblad 56(25), 1938, 205-216 (i.h.b. 205). H.G.J. Schelling, ‘De in gebruik genomen nieuwe stations te Amsterdam II’, Bouwkundig Weekblad 57(52), 1939, 477-482 (i.h.b. 480).

6 H.G.J. Schelling, ‘De in gebruik genomen nieuwe stations te Amsterdam I’, Bouwkundig Weekblad 57(51), 1939b, 469-474 (citaat 471).

7 Zie b.v.: J.P. Mieras, ‘Naar aanleiding van het nieuwe station te Enschede’, Bouwkundig Weekblad 68, 1950, 745-748. Evers 1958.

8 H.G.J. Schelling, ‘De nieuwe gebouwen van de Universiteit te Fribourg (Zwitserland)’, Bouwkundig Weekblad 69(21-22), 1951a, 205- 215.

9 H.G.J. Schelling, ‘Verbouwing station ‘Hollands Spoor’ te ‘s Gravenhage’, Bouwkundig Weekblad 68(17), 1950a, 269-278 (citaat 273).

10 H.G.J. Schelling, ‘Aug. Perret’, Bouwkundig Weekblad 67, 1949, 337-342.

11 H.G.J. Schelling, ‘De oogleden opgeslagen’, Cement 5(1-2), 1953, 1.

12 H.G.J. Schelling op. cit., 1953, 2: ‘In Enschede werden bijna 3500 claustra’s toegepast, vierkanten, staande kruizen, halve vierkanten, cirkels en T-claustra’s. In Hengelo was het aantal geringer (640) en werden 3 typen gebruikt: vierkant, (half vierkant), V- en O-claustra’s. Leiden heeft V-claustra’s in de hal en krijgt nog Y-claustra’s in de wanden van de toren. Arnhem krijgt Z- en Y-claustra’s.’

13 Schelling 1949.

14 H.G.J. Schelling, ‘Het nieuwe stationsgebouw van Enschede’, Bouwkundig Weekblad 68(47), 1950b, 725-745. H.G.J. Schelling, ‘Enschede’s nieuwe station’, Bouw 5(44), 1950c, 726-727.

15 H.G.J. Schelling, ‘Nieuw station te Hengelo (O.)’, Bouwkundig Weekblad 79(9-10), 1952a, 69-83.

16 H.G.J. Schelling, ‘Het nieuwe stationsgebouw te Zutphen’, Bouwkundig Weekblad 70(43-44), 1952b, 329-335.

17 H.G.J. Schelling, ‘Stationsgebouwtje Arnhem – Sonsbeekzijde’, Bouwkundig Weekblad 72(33-34), 1954, 302-303.

18 Schelling 1950a, 726.

19 Schelling 1950a, 733.

20 Schelling 1950a, 730-732. H.G..J. Schelling 1950b, H.G.J. Schelling, ‘Enkele mededelingen in verband met het nieuwe stationsgebouw te Enschede’, Cement 3(1-2), 1951b, 17, Schelling 1953, 2

21 Een materiaal dat hij kennelijk met enige moeite had kunnen bekomen, getuige: H.G..J. Schelling op cit., 1953, 6: ‘Het enige redmiddel is het gebruik maken van enige grinderijen, waarin wit grind wordt gedolven, zoals in Brunssum in Limburg.’

22 Schelling 1950a, 731-732.

23 Schelling 1951b, 17.

24 Schelling 1950a, 730.

25 Schelling 1950a, 729-730, Schelling 1951b, 13.

26 Schelling1952a, 73-74.

27 Schelling 1953, 6-7. Schelling merkt over het door hem overwogen alternatief op: Een andere mogelijkheid is gelegen in basalt, dat ook als donkere toeslag kan dienen. Het is echter niet zo frist als vuursteen.

28 Schelling 1952b.

29 Zie bijvoorbeeld foto LEI001006758 in de beeldbank van het Leids archief.

30 “Ir Schelling wil weer stations zien, die een eigen taal spreken”, Nieuwe Leidsche Courant, 30 juni 1951.

31 Schelling 1953, 17 (over station Enschede).

Biografie auteur

Timo G. Nijland

Dr. Timo G. Nijland is geoloog en inmiddels meer dan een decennium werkzaam als onderzoeker van bouwmaterialen. Hij is verbonden aan het Conserveringstechnologie team van TNO Bouw en Ondergrond in Delft en houdt zich bezig met onderzoek naar aantasting en karakterisering van natuursteen, baksteenmetselwerk, (historische) mortels en beton ten behoeve van conservering en restauratie.

Hoe te citeren
NIJLAND, Timo G.. Van Doornikse kalksteen tot beton ‘als het definitieve materiaal’. Het materiaalgebruik van spoorwegarchitect H.G.J. Schelling. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 210-216, nov. 2009. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Nijland210>. Datum gebruik: 22 mei 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.108.2009.5-6.167.
Gepubliceerd
2009-11-01