Een schouwburgprijsvraag uit 1837. Het bekroonde ontwerp van Robertus van Zoelen in de bouwkundige klasse van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam

  • Thomas H. von der Dunk

Samenvatting

In the first half of the 19th century no theoretical education for architects existed in the Netherlands, but since 1817 there was a Royal Academy of Fine Arts in Amsterdam where, among other subjects, architecture was taught. In 1837 the academy held a special competition for a city theatre, which was won by the Amsterdam carpenter’s son Robertus van Zoelen (1812-1869). On the basis of a prescribed programme the competitors had to make a sketch first, and subsequently they were given one month’s time to design more accurate construction drawings. In this article earlier and later competitions are dealt with, the architectonic design and the layout of these theatres, which could accommodate approximately 1500 visitors.

Van Zoelen’s creation was uncommonly monumental for Dutch standards and was hardly comparable to the wooden theatre of city architect Jacob Eduard de Witte situated on Leidseplein in Amsterdam at that time. The author discusses other theatres in the Netherlands and Europe. Since around 1750 good acoustics and visibility for all the visitors were aimed at, the form of the stage in connection with this, as well as the external recognizability of the theatre by means of an entrance under a column portico. There were advanced designs in several European cities and Van Zoelen had heard of them, but no more than that. It is likely that he never crossed the national borders and derived his knowledge from books and colleagues, such as the managing director of the Amsterdam academy Martinus Gerardus Tétar van Elven. Just as at the French academy of architecture, which served as an example for the Dutch academy in many respects, the competitions were highly academic and theoretical in character.

Referenties

Vgl. C.P. Krabbe, Ambacht. Kunst. Wetenschap. Bevordering van de bouwkunst in Nederland (1775-1880), Zwolle 1998, 69-83, 94-104.

Voor de Academie in het algemeen: J. Reynaerts, ‘Het karakter onzer Hollandsche School’. De Koninkijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, 1817-1879, Leiden 2001. Vgl. voorts: E.B.M. Lottman, ‘Het Koninklijk Besluit van 13 april 1817 en de getuigschriften van bekwaamheid tot het geven van (bouwkundig) tekenonderwijs’, Bulletin KNOB LXXXV(1986), 3-20.

Voor het bouwkunde-onderwijs aan de academie: C.P. Krabbe, Droomreis op papier, De Prix de Rome en de Nederlandse architectuur (1808-1851), Leiden 2009, 55-68, 81-86; alsmede Krabbe 1998, 70-76.

Voor korte biografische informatie: T.H.von der Dunk, ‘Zes katholieke kerken in Amsterdam uit de dageraad der emancipatie’, Jaarboek Amstelodamum XCVI(2004), 74-75, noot 81. Voor zijn rol aan de Academie: Krabbe 1998, 73-76; Krabbe 2009, 82-86.

Vgl. J. Reynaerts, ‘Prijstekeningen uit het Amsterdamse bouwkundige onderwijs 1820-1844’, Bulletin KNOB LXXXIV(1985), 248- 269; Krabbe 2009, 60-61, 83-86.

Een hele reeks van die tekeningen wordt thans bewaard in de collectie van de RCE in Amersfoort; voor de catalogus zie: J.A.H. Reynaerts, Tekeningen uit het Amsterdams bouwkundig onderwijs 1820- 1844, typoscript z.p., z.j.

Zie voor de Grote Prijs: D. Dekkers, ‘Op reis gezonden. De Groote Prijs aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (1823-1849)’, Mededelingen van het Nederlands Instituut in Rome XLVII(1987), 179-220; Reynaerts 2001, 151-203.

Specifiek voor de architectuur: D. Dekkers, ‘Twee Nederlandse architecten op reis. De Groote Prijs voor de bouwkunst 1827-1845’, Archis, 1986 no.3, 36-40; Krabbe 1998, 72-73; Krabbe 2009, 57-59 (algemeen), 66-68 (van 1827), 90-92 (van 1837), 241-247 (1845 en afschaffing).

Voor de Franse Academie: A. Drexler (red.), The Architecture of the Ecole des Beaux-Arts, London 1977; D.D. Egbert, The Beaux-Arts Tradition in French Architecture, Princeton 1980; R. Middleton (red.), The Beaux-Arts and nineteenth-century French architecture, London 1982.

Over Van Zoelen binnenkort uitgebreid: T.H. von der Dunk, ‘Robertus van Zoelen (1812-1869). Een academisch architect uit de vroege negentiende eeuw’, Jaarboek Amstelodamum 2010 en 2011. Daar wordt ook nader op deze beide andere door hem gewonnen prijsvragen ingegaan.

Voor Van Dams studiereis, die in een uitvoerige collectie schetstekeningen resulteerde: Krabbe 2009, 93-180; voor zijn opleiding voordien 86-90; voor zijn carrière en betekenis nadien 181-239.

Voor de sollicitaties resp.: T.H. von der Dunk, ‘De selectie van een nieuwe stadsbouwmeester voor Harderwijk in 1836’, Bijdragen en Mededelingen Gelre XCIX(2008), 135-136, 141-146; idem, ‘Een nieuwe stadsbouwmeester voor Utrecht in 1838. De opvolging van Johannes van Embden (1767-1846) door Johannes van Maurik (1812-1893)’, Jaarboek Oud-Utrecht 2006, 193-194.

Zie: T.H. von der Dunk, ‘De mislukte prijsvraag voor het Paleis van Justitie in Arnhem van 1835’, Bijdragen en Mededelingen Gelre XCVIII (2007), 141-142 noot 65.

De St.Urbanus in Duivendrecht (1840, gesloopt 1877); de St.Dominicus in de Spuistraat (‘Het Stadhuis van Hoorn’, 1844-’45 (verbouwing), gesloopt 1884); de St.Thomas van Aquino aan het Singel (‘Het Torentje’, 1850-’51, gesloopt 1939); en de St.Pancratius te Castricum (1857-’58, sterk verbouwd 1877-’83, gesloopt 1910). Zie resp. T.H. von der Dunk, ‘De vorige katholieke kerk van Duivendrecht. Een vroeg werk van de architect Robertus van Zoelen uit 1840’, Maandblad Amstelodamum XCIII(2006) no.5, 13-30; Von der Dunk 2004, 57-61; T.H. von der Dunk, ‘De statie ‘Het Torentje’ aan het Singel. Een verdwenen kerk van een vergeten architect: Robertus van Zoelen (1812-1869)’, Maandblad Amstelodamum XCV(2008) no.2, 13-25; idem, ‘De vorige St.Pancratiuskerk te Castricum’, Jaarboek Oud-Castricum XXXII(2009), 15-22.

Zie R.van Zoelen, ‘De nieuwe Roomsch-Katholieke Kerk en Pastorie te Castricum, provincie Noord-Holland’, Bouwkundige Bijdragen XI(1860), kol.237-242 met plaat XI. Voor de Maatschappij: Krabbe 1998, 113-241; alsmede het themanummer van De Sluitsteen, van E. de Jong, C.P. Krabbe en T.J. Boersma (red.), Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst. Schetsen uit de geschiedenis van het genootschap, Amsterdam 1993.

Notulen RvB, 1-2-1837, KABK (GAA 681) 6, p. 24.

Notulen 4e klasse, 12-4-1824, KNI (RANH 175) 142, p.349 en 350. Zie K. Jongbloed, De afdeling bouwkunde Vierde Klasse van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten te Amsterdam (1808-1851), doct.scriptie UvA-KHI no.1462, Amsterdam 1987, 64, 65.

En wel van 1820 tot 1825. Zie Krabbe 2009, 59-63.

Bewaard in KNI 151: no.429. Het thema ‘schouwburg’ vormde een van de acht die door Suys waren gesuggereerd; zie Notulen 4e klasse, 29-4-1822, KNI 142, p.272-273, 276-277, 278.

Zie: ‘Programma voor eenen buitengewonen Pryskamp, in de Compositie- klasse, opgegeven den 13 February 1837’, door M.G.Tétar van Elven, KABK 30: no.40.

‘Berigt en prijs-uitschrijving der Vierde Klasse van het Koninklijk- Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, aangekondigd in hare openare vergadering den 26sten november 1822’, in archief KNI: 151/429 (mapje ‘prijsvragen’). Daarin ook het nagenoeg identieke exemplaar van 25-11-1824 (inzendtermijn: 1-3-1826).

Zie voor de rol van De Vos, van beroep assuradeur, aan het KNI K. van Berkel, De stem van de wetenschap: geschiedenis van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Amsterdam 2008, passim.

Aan de Academie speelde hij een cruciale rol; zie Reynaerts 2001, 90-96.

Zie Notulen RvB 7-6-1837, KABK 6, p.83; alsmede Notulen RvB 1-11-1837, KABK 6, p.151; brief G aan RvB 20-10-1837 no.200/16.658 met Disp Min BinZ 16-10-1837 no.198/5, KABK 30: no.43. Van Zoelens ontwerp is bewaard in RdMz; zie Reynaerts (noot 6), 63, cat.nr.62F-G.

‘Verslag omtrent de voorloopige beoordeeling der stukken, ingekomen ter beantwoording der prysvragen, krachtens besluit van den Raad van Bestuur dd 1 february 1837, door den Directeur der Bouwkundige Klasse aan de kwekelingen dier Klasse opgegeven’, door M.G. Tétar van Elven 12-5-1837 no.17, KABK 30: no.40.

Een gedegen monografie van de theaterarchitectuur in Nederland ontbreekt. Een eerste summier catalogusachtig overzicht, zonder veel architectonische analyse, biedt: B. Logger e.a. (red.), Theaters in Nederland sinds de zeventiende eeuw, Amsterdam 2007. Nog summierder is J.A.Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland, Groningen 1904, deel II, alleen 261-263 en 404-407 over theaterbouw in resp. de 18de en 19de eeuw. Verspreide informatie is voorts te vinden in R.L. Erenstein (red.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen, Amsterdam 1996.

Vgl. Krabbe 2009, 120-121, met afb. De tekening en wat zich nu in de collectie van het NAi in Rotterdam.

Krabbe 2009, 121.

Citaat in ‘Verslag van het voorgevallene op de tweede algemeene vergadering der Maatschappij ‘tot Bevordering der Bouwkunst’, gehouden den 29sten mei, 1844, te Amsterdam’, Bouwkundige Bijdragen II (1844), 169. Zie ook: T.J. Boersma, ‘Het oefenperk der kunst’. Ontwerp en architectuurbeschouwing in de prijsvragen van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst (1842-1880)’, De Sluitsteen,IX(1993), no.3/4, 17 en 39 noot 24.

Voor integraal jury-rapport: ‘Verslag’ 1844, 164-169.

Zie ‘Verslag’ 1844, 164 resp. 165. Voor de vergelijking met koetshuizen en paardenstallen resp. 164 en 166.

‘Verslag’ 1844, 166.

‘Verslag’ 1844, 161.

Concept-prijsvraagprogramma van M.G. Tétar van Elven, 12-6- 1842, MBB 195(NAi), . Citaten resp. op 1, 2,1.

Ibidem, 3.

‘Prijsvragen, uitgeschreven voor den jare 1842, door de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst’, gedrukt, getekend I.Warninck, 1-7-1842, MBB 195.

Vgl. ‘Prijsvragen, uitgeschreven in den Jare 1844, door de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst’, gedrukt, gesigneerd I. Warnsinck, augustus 1844, MBB 197. De belangrijkste wijziging behelste dat de toegang voor de rijtuigen ditmaal nadrukkelijk overdekt moest zijn.

‘Verslag van het voorgevallene op de vierde algemeene vergadering der Maatschappij ‘tot Bevordering der Bouwkunst’, gehouden den 27sten mei, 1846’, Bouwkundige Bijdragen IV(1847), kol.163, 168- 178. Citaten te vinden in resp. kol.170, 168, 169, 170, 170. Voor de ingezonden ontwerpen en hun motto’s zie: ‘Lijst van ontwerpen enz. ingezonden op de Prijsvragen, uitgeschreven in het jaar 1844, door de Maatschappij: Tot bevordering der Bouwkunst’, MBB 197.

‘Verslag’ 1847, kol.171.

‘Verslag’ 1847, kol.173-174.

‘Verslag’ 1847, kol.176.

‘Verslag’ 1847, kol.178.

Voor de uiteindelijke samenstelling van de jury van de prijsvraag van 1842 zie een lijstje met de namen van de heren, met de datum waarop zij de stukken ter beoordeling ontvangen hebben, in MBB 195. Op dit lijstje ook een opsomming van de plannen met hun motto’s.

Brief van J.D. Zocher, 15-11-1843, MBB 195.

Brief van C.M. Storm van ‘s Gravesande, 24-11-143, MBB 195.

Brief van W.N. Rose, 25-11-1843, MBB 195.

Brief van C.M. Storm van ‘s Gravesande, 14-11-1845 resp. brief van Z. Reyers, z.d., beide in MBB 197.

Brief van W.N. Rose, 14-11-1845, MBB 197.

Notulen Bestuur, 4-8-1848, MBB 1, p.22. Voor deze prijsvraag al kort Boersma 1993, 36-38.

Voor die beweegredenen: ‘Verslag van de achtste Algemeene Vergadering der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst gehouden den tienden Junij 1850, te Amsterdam’, Bouwkundige Bijdragen VI(1851), kol.254.

Notulen Bestuur, 4-8-1848, MBB 1, 21.

Notulen Bestuur, 8-9-1848, MBB 1, 25. Voor een lijstje van de bewuste bladen zie MBB 20.

Brief van W.N. Rose, 22-11-1849, MBB 201.

‘Prijsvragen, uitgeschreven in den jare 1848 door de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst’, gedrukt, gesigneerd I.Warnsinck, 30-8-1848, MBB 201 (met ingelegd Franstalige versie).

Notulen Bestuur, 16-11-1849, MBB 1, p.67. Voor het achttal inzendingen en hun motto’s zie ook het lijstje in MBB 201.

Notulen Bestuur, 26-1-1850, MBB 1, p.72.

Notulen Bestuur, 16-11-1849 met 26-1-1850, MBB 1, 68 resp. p.71.

Notulen Bestuur, 26-1-1850 en 29-3-1850, MBB 1, p.74 resp. 75.

Zie persbericht van I. Warnsinck, 13-6-1850, MBB 201. Zie ook: ‘Verslag’ 1851, kol.245; alsmede de Notulen Bestuur, 18-5-1850, MBB 1, p.83.

‘Verslag’ 1851, kol.254.

Voor Eberson: K.M.Veenland-Heineman, ‘Lucas Hermanus Eberson (1822-1889), een ‘volkomen onbeduidende architect’?’, Leids Kunsthistorisch Jaarboek III(1984), Delft 1985, 467-494; en binnenkort T.H. von der Dunk, ‘Een prijsvraag voor een protestantse kerk in 1850’, Jaarboek Cuypers Genootschap.

Notulen Bestuur, 12-7-1850, MBB 1, p.101; voorts Franstalige annonce, opgesteld door I. Warnsinck, 24-12-1850; brieven van L.H. Eberson, 30-6-1850 en 7-7-1850, alle in MBB 201. Voor de bouwtekeningen: Verzameling van bouwkundige ontwerpen, bekroond en uitgegeven door de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, 6e aflevering, Amsterdam 1851, plaat 24-27. De voor- en zijgevel (plaat 25) al afgebeeld bij Boersma 1993, 24.

Notulen Bestuur, 14-12-1850 met 8-3-1851, MBB 1, p.124-125 resp. 129; voorts Franstalige annonce, opgesteld door I. Warnsinck, 24-12-1850; brief van H.A. Wentzel en H.M. Burton, 27-11-1850, alle in MBB 201. Voor de bouwtekeningen: Verzameling 1851, 5e afl. (1851), plaat 21-23, met korte toelichting en legenda. De vooren zijgevel (plaat 22) afgebeeld in Boersma 1993, 22.

‘Verslag’ 1851, kol.254.

‘Verslag’ 1844, 167-168.

‘Verslag’ 1851, kol.255-256. In de verzameling van Godefroy zelf zijn in het NAi de ontwerptekeningen voor twee theaters bewaard die met de prijsvraag in verbinding worden gebracht (Botman & Van den Heuvel 1989, 55-60, cat.nr.10-15), een serie in groot formaat met potlood (aldaar 1848 gedateerd) en een blad met acht kleine tekeningen in inkt en waterverf (cat.nr.10) met als opschrift “Projet de Theâtre pour une grande ville Secte d’Architecture à Amsterdam concors extraordinaire - Janvier 1849. ANGf” (MBB bijlage prenten & tekeningen 140), maar die kunnen, gezien zijn jurylidmaatschap, geen eigen inzending betreffen. De beschrijving van de vijf afgekeurde ontwerpen in het juryrapport is te summier om deze tekeningen boven alle twijfel aan een bepaalde inzending te kunnen koppelen. Het commentaar t.a.v. het derde plan zou evenwel probleemloos op het losse blad betrekking kunnen hebben. Dat t.a.v. het vierde zou bij de grote potloodtekeningen kunnen passen. In 1872-’74 grondig verbouwd en in steen ommanteld, in 1890 afgebrand. Daarover kort: T.H. von der Dunk, Een Hollands heiligdom. De moeizame architectonische eenwording van Nederland, Amsterdam 2007, 108-109; alsmede uitvoerig, maar zonder dieper op de architectuur in te gaan, het opstel van N. Sluijter-Seiffert, ‘De Amsterdamse schouwburg van 1774’, Oud-Holland XC(1976), 21-64, m.n. 24-25. Zie ook: J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg, Amsterdam 1920, 219-224; Logger e.a. 2007, 148-150. Bij de voltooiing verschenen zowel een platenatlas (Afbeeldingen van den schouwburg te Amsterdam, Amsterdam 1774) als een met enige perspectiefaanzichten geïllustreerde Historie van den nieuwen Amsterdamschen Schouwburg, Amsterdam 1775. Ook de Maandelykse Nederlandsche Mercurius, XXXVII(1774), 130-131, besteedde er aandacht aan en publiceerde een afbeelding van de voorgevel.

Voor de Muntschouwburg: E.Cabris, La Monnaie. Chronique architecturale de 1696 à nos jours, Tielt 1996, 34-57.

P.J. Goetghebuer, Verzameling der merkwaardige gebouwen in het Koninkrijk der Nederlanden, Gent 1825; voor de Muntschouwburg plaat XLIV-XLVI; met tekst op 30-32. Voor het plaatwerk: D. Van de Vijver, Le Choix des monumens, édifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays-Bas. Une histoire de l’architecture nationale du royaume des Pays-Bas, Bruxelles 2000.

Vgl. Goetghebuer 1825, plaat LXXXVII-LXXXIX; met tekst op 59-61. Voor het na een prijsvraag gebouwde theater: J. Martiny, Histoire du Théatre de Liège depuis son origine jusqu’à nos jours, Liège 1887, 133-155.

‘Verslag’ 1844, 166.

Beide afgebeeld in de Maandelykse Nederlandsche Mercurius, resp. LIX(1785) tegenover 164 en LXXII(1792) tegenover 178. Zie voor beide: C.A. van Swigchem, Abraham van der Hart 1747-1820. Architect. Stadsbouwmeester van Amsterdam, diss. RUU, Amsterdam 1965, 175-181 resp. 189-191.

Vgl. Logger e.a. 2007, 9, 17-19, 25-26.

Daarover naast B. Hunningher, ‘De Amsterdamse Schouwburg van 1637’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek IX(1958), 109-171: Worp 1920, 82-91; W. Kuyper, ‘Een maniëristisch theater van een barok architect’, Bulletin KNOB LXIX(1970), 99-107; B. Albach, ‘De Schouwburg van Jacob van Campen’, Oud Holland LXXXV(1970), 85-109; R. Roegholt, ‘De Schouwburg op de Keizersgracht 1617-1772’, in: Het Roomsch Catholyck Oude-Armen Comptoir te Amsterdam, Zutphen 1983, 23-37; Erenstein 1996, 192- 203; Logger e.a. 2007, 145-147.

Over het Paleis Nassau-Weilburg als laatste F. Schmidt, Pieter de tegronden vgl. voorts Streit 1903, 103-107; Nicoll 1958, 141-143; Schwarzer 1994, 58-59. Voor de relaties tussen zaalvorm en acoustiek uitvoerig Semper 1904, 171-184. Swart. Architect van de achttiende eeuw, Zwolle 1999, 194-202. Voor de verbouwing en inrichting tot schouwburg door de Haagse timmerman J. van Duijfhuijs: Erenstein 1996, 356-365.

Gesloopt 1887. Daarover: P. Haverkorn van Rijsewijk, De oude Rotterdamsche Schouwburg, Rotterdam 1882, 83-85, 105, 112-113; Logger e.a. 2007, 295-297, met afb.

In 1881 grondig verbouwd, 1941 gesloopt. Bouwtekeningen bewaard in GA Utrecht, Top.Atlas X 4.5 (2). Zie Logger e.a. 2007, 320-321. Bouwmeester was beide keren mogelijk de Utrechtse timmerman Gerrit van Dorssen (1750-1821); zie Von der Dunk 2007 (noot 67), 285.

Gesloopt in 1868. Zie Erenstein 1996, 410-417, met afb.

Voor het gebouw, dat in 1934 werd gesloopt: W.J. Pantus, Geen decor, maar een feestelijke werkelijkheid. Podiumkunsten in Nijmegen. Vijf eeuwen stedelijke zorg en bemoeienis, Nijmegen 1997, 30-32, met afb. Vgl. ook Logger e.a. 2007, 53-54.

Voor Europese overzichten: A. Streit, Das Theater. Untersuchungen über das Theater-Bauwerk bei den klassischen und modernen Völkern, Wien 1903; M. Semper, Handbuch der Architektur, deel IV.6.5 [Theater], Stuttgart 1904; E. Werner, Theatergebäude, deel I, Berlin 1954; A. Nicoll, The development of the theatre. A Study of theatrical art from the beginnings to the present day, London 1958 (1927); S. Tidworth, Theatres. An illustrated history, London 1973; N. Pevsner, A history of building types, London 1976, 63-90. Voor Duitsland: O. Weddigen, Geschichte der Theater Deutschlands, 2 delen, Berlin 1906; H. Zielske, Deutsche Theaterbauten bis zum Zweiten Weltkrieg. Typologisch- historische Dokumentation einer Baugattung, Berlin 1971; H. Schwarzer, ‘The Social Genesis of the Public Theatre in Germany’, in: J. Zukowsky (red.), Karl Friedrich Schinkel 1781-1841. The Drama of Architecture, Tübingen 1994, 54-67.

Vgl. Semper 1904, 51; Zielske 1971, 22-24, 27-28; Tidworth 1973, 72, 97; Schwarzer 1994, 54-55.

Zie Tidworth 1973, 101, 103. Voor het gebouw: A. Streichhan, Knobelsdorff und das friderizianische Rokoko, Burg 1932, 37-44; Werner 1954, 79-92; Zielske 1971, 102-106; H.J. Kadatz, Georg Wenceslaus von Knobelsdorff. Baumeister Friedrichs II., München 1983, 125-134.

Zie o.m. Soufflot et son temps 1780-1980, tent.cat. Paris, Paris 1980, 68-73; G. Chomer, “Le théatre”, in: L’oeuvre de Soufflot à Lyon. Etudes et documents, Lyon 1982, 99-112; J.M. Pérouse de Montclos, Jacques-Germain Soufflot, Paris 2004, 63-67.

C.F. von Wiebeking, Theoretisch-practische Bürgerliche Baukunde durch Geschichte und Beschreibung der merkwürdigsten antiken Baudenkmahle und ihrer genauen Abbildungen bereichert, deel I, München 1821, 128-137; aldaar 129 voor het blus-argument. Het argument van de brandveiligheid was o.m. al zestig jaar eerder aangevoerd door J.G. Noverre in diens Observations sur la Construction d’une Nouvelle Salle de l’opèra; zie Tidworth 1971, 97.

Vgl. Zielske 1971, 25-26, 31-32.

Vgl. E. Moritz, Das antike Theater und die modernen Reformbestrebungen im Theaterbau, Berlin 1910, 44-45; F.B. Biermann, Die Pläne für Reform des Theaterbaues bei Karl Friedrich Schinkel und Gottfried Semper, Berlin 1928, 1-4; alsmede Schwarzer 1994, 54-56, 58.

Vgl. o.m. Pevsner 1976, 73-76. Voor het geëxperimenteer met plattegronden vgl. voorts Streit 1903, 103-107; Nicoll 1958, 141-143; Schwarzer 1994, 58-59. Voor de relaties tussen zaalvorm en acoustiek uitvoerig Semper 1904, 171-184.

De literatuur over Schinkels Schauspielhaus is overvloedig; het komt in elk overzichtswerk over Schinkel (uitvoerig) aan bod. Als aparte studie valt te noemen: P.O. Rave, Karl Friedrich Schinkel. Berlin, deel I [Bauten für die Kunst / Kirchen / Denkmalpflege], Berlin 1981, 88-138; Daarnaast wordt het besproken in Werner 1954, 98-113; Zielske 1971, 97-101. Voor Schinkels ideeën m.b.t. theaterbouw voorts: Biermann 1928, 29-50. Voor Langhans’ Nationaltheater: W.T. Hinrichs, Carl Gotthard Langhans. Ein schlesischer Baumeister 1733-1808, Strassburg 1909, 77-79; F. Grundmann, Carl Gotthard Langhans (1732-1808). Lebensbild und Architekturführer, Würzburg 2007, 32-33, 35-36, 45-47.

Zie O. Hederer, Karl von Fischer. Leben und Werk, München 1960, 75-85; alsmede Weddigen 1906, II, 879-881.

Voor de eerste twee: Weddigen 1906, I, 65-67 resp. 516.

Voor plattegrond en afbeeldingen zie: M. Fröhlich, Gottfried Semper, Zürich 1991, 94-96. Zie voorts o.m. Streit 1903, 145-146; Werner 1954, 106-108, 117-121; Gottfried Semper 1803-1879. Baumeister zwischen Revolution und Historismus, tent.cat. Dresden, München 1979, 177-186; H.F. Malgrave, Gottfried Semper. Architect of the Nineteenth Century, New Haven 1996, 117-129; W. Nerdinger en W. Oechslin (red.), Gottfried Semper 1803-1879. Architektur und Wissenschaft, tent.cat. München, Zürich 2003, 168-178. Voor Sempers ideeën over de theaterbouw: Biermann 1928, 51-81.

Zie Krabbe 2009, 83. Voor de Antwerpse Academie: L.T. van Looij, ‘De Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten’, Leids Kunsthistorisch Jaarboek V-VI(1986-’87), 302-319.

Over de schouwburg: M. Manderyck, ‘Een tempel voor de muzen. De Schouwburg van Pierre Bourla te Antwerpen’, Monumenten & Landschappen XII(1993) no.2, 22-45; idem. e.a., De Bourla Schouwburg. Een tempel voor de muzen, Tielt 1993, m.n. 41-75.

Zie brief van A.W. van Dam aan M. Tetar van Elven, 20-5-1838, voorin KABK 34. Zie ook Krabbe 2009, 21.

Zie brief van A.W. van Dam aan M. Tetar van Elven, 1-1-1838, voorin KABK 34. Zie ook Krabbe 2009, 95.

Zie Streit 1903, 143-144; B. Sack, Georg Moller. Sein Leben und Wirken, diss. TH München, München 1908, 37-41; M. Frölich en H.G. Sperlich, Georg Moller. Baumeister der Romantik, Darmstadt 1959, 293-306.

J.N.L. Durand, Précis des leçons d’architecture données a l’école royale polytechnique, Paris 1802-’05 (reprint Nördlingen 1985), deel II, 63-66 met plaat 16. Ook aandacht in zijn oudere Recueil et parallèle des édifices en tout genre, anciens et modernes, remarquables par leur beauté, par leur grandeur et par leur singularité, Paris 1801 (reprint Nördlingen 1986), 129-141; m.n. aldaar 136-137. Voor andere oudere voorbeelden in de architectuurtheorie zie Streit 1903, 141-143; Semper 1904, 53; Biermann 1928, 57; Frölich & Sperlich 1959, 299-301; voor Mollers teruggrijpen op Durand aldaar 302- 304.

Zie resp. ‘Verslag’ 1847, kol.177 resp. ‘Verslag’ 1844, 169 (citaat).

Zie ‘Verslag’ 1847, kol.172.

‘Verslag’ 1851, kol.254.

‘Verslag’ 1851, kol.254.

‘Verslag’ 1851, kol.255. Voor bouwtekeningen: zie noot 63.

‘Verslag’ 1851, kol.255.

‘Verslag’ 1851, kol.256.

Voor de Afbeeldingen Krabbe 2009, 52-53.

Zie Jongbloed 1987, 79.

J. van Straaten, Afbeeldingen van antieke en moderne bouwkundige voorwerpen, ontleend van Grieksche, Romeinsche en Oostersche tempels, paleizen, schouwburgen, badstooven en andere nog voorhanden gebouwen, of derzelver gedeelten en ruïnen, Amsterdam 1828, plaat LXXV, resp. fig.3-4 en 5-7, met tekst op 43 en 44.

Van Straaten 1828, 43.

Wiebeking 1821, I, 128, 131-134, met plaat XXXII fig.4, 5 en 13; voor het laatste 133. Vgl. ook Durand 1801, 133.

Wiebeking 1821, I, 132 resp. 134. Het eerste punt, m.b.t. de nadelen van de hoefijzervorm, zou ook al te vinden zijn in George Saunders’ Treatise on Theatres uit 1790; zie Tidworth 1973, 125.

Van Straaten 1828, 43. Te weten: Exposition des principes qu’on doit suivre dans l’ordonnance des theatres modernes, Amsterdam 1769 (exemplaar in convoluut KB; NMI In: 29 H 37; als auteur daar slechts als afgekorte aanduiding: M*** Comte des guerres & Sr de M. le D. de C.); F. Algarotti, Essai sur l’opera, Paris 1755 (hoofdzakelijk over het toneelspel met toebehoren; over de theaterbouw slechts 85-99); P.Patte, Essai sur l’architecture théatrale ou de l’Ordonnance la plus avantugeuse à une Salle de Spectacles, relativement aux principes de l’Optique & de l’Acoustique, Paris 1782; en een noch met titel, noch met jaartal van uitgave genoemd, en zodoende voorlopig niet te traceren boekje van de ‘keizerlijke machinist’ Boulet.

Zie Exposition des principes 1769, 109.

De enige in Pattes boek voorkomende schouwburg met een vrijstaande zuilenportiek was Knobelsdorffs Opera in Berlijn; zie Patte 1782, 101-104, met pl.III fig.20. Daarnaast is de afgebeelde plattegrond van het door Alessandro Galli da Bibiena (1686-1748) gebouwde theater van Mannheim uit 1737-’42 (pl.III fig.19) opvallend: als enige wordt hier de vestibule gekenmerkt door het kwadrant van vier zuilen dat ook bij Van Zoelen opduikt. Voor Pattes essay zie verder: M. Mathieu, Pierre Patte. Sa vie et son oeuvre, diss. Paris 1940, 161-176.

K.F. Schinkel, Sammlung architectonischer Entwürfe, Berlin 1819- ’40 (de afleveringen met het Schauspielhaus in 1821 en 1826 gepubliceerd); reprint als Collected Architectural Designs, London 1982, aldaar pl.7-18.

Biografie auteur

Thomas H. von der Dunk

Dr. Thomas von der Dunk studeerde van 1979 tot 1988 kunstgeschiedenis en archeologie in Amsterdam (hoofdvak architectuur). Van 1989 tot 2002 was hij als AIO en postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de vakgroep geschiedenis van de universiteiten van Leiden en Utrecht. Sindsdien is hij freelance publicist en politiek commentator. In 1994 promoveerde hij in Leiden op 'Das Deutsche Denkmal'. Hij publiceert regelmatig over vooral Nederlandse architectuur- en cultuurgeschiedenis in de 16de-19de eeuw.

Hoe te citeren
VON DER DUNK, Thomas H.. Een schouwburgprijsvraag uit 1837. Het bekroonde ontwerp van Robertus van Zoelen in de bouwkundige klasse van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 205-221, dec. 2010. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/vonderDunk205>. Datum gebruik: 23 juli 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.109.2010.6.125.
Gepubliceerd
2010-12-01