Bouwhistorische waardenkaarten. Een gebiedsgerichte benadering van bouwhistorisch erfgoed

  • Gabri van Tussenbroek Utrecht University, Humanities & Amsterdam, Bureau Monumenten & Archeologie (BMA)
  • Ad van Drunen Municipality of ’s-Hertogenbosch
  • Edwin Orsel Municipality of Leiden, Unit Monuments & Archeology

Samenvatting

One of the spearheads of the modernisation of preservation of monuments and historic buildings (MoMo) is to have cultural history play a fully fledged role in spatial planning. The cultural-historical assessment is a very important aspect here and makes it possible to assess cultural-historical values early on in a spatial process. The building-historical values map is a strong instrument to define building-historical values. On the basis of inventories in Amsterdam, ‘s-Hertogenbosch, Leiden, Nijmegen and Utrecht experiences have been collected and bottlenecks ascertained, from which a standard approach has been developed for the realization of a building-historical values map.

The building-historical values map as developed by the convention of municipal building historians, starts from an area-oriented approach analysing both already protected and unprotected areas. The map is a product that is easy to make, which in the first instance is an important condition, especially for municipalities (still) lacking building-historical know-how. Subsequently, the building-historical values map provides possibilities for broadening and deepening policy on monuments and historic buildings. The map may serve as a set of instruments in granting Wabo (general provisions built environment Act) licences and as a means of selection in drawing up the municipal historic buildings register.

The first step is making a rough ‘building-historical spot map’. On this map all built-up areas existing around 1830 according to the first land registry map are projected at a macro level on the most recent parcel map. The addresses and buildings database (BAG map) and the large-scale basic map (GBK) included in municipal geographical information systems (GIS) form a good starting point for this. Where the built-up areas of the past are overlapping those of today, a colouring is applied. Thus the area with possible hidden values will be indicated in its largest dimensions. During the second step the selected area is subjected to a building-historical inventory in order to examine whether there actually are indications of the existence of ‘hidden values’. This desk research consists of studying digital aerial photographs and street-view photographs and checking the available building-historical data in property files, sometimes supplemented with a visit to a property. This is to result in the ‘building-historical expectations map’. The third step consists of adding all listed buildings, listed buildings on the municipal historic buildings register, and unprotected, image-defining premises, so that the assessment of more recent cultural-historical values will also be mapped out.

Soon the new-style preservation of monuments and historic buildings will force the parties compiling and defining zoning plans to include cultural-historical values in their assessment of interests. The building-historical values map is a very practical tool for this and may give a strong impulse to an area-oriented assessment of cultural-historical heritage. As in most municipalities the historical building substance and the cultural-historical values have not been sufficiently mapped out yet – of some towns and villages hardly any knowledge exists about the historical values behind the facades – it is inevitable that the building-historical map will have to be a growth map, which is to grow step by step from expectations map towards values map, and which will gradually lead to adjustment and refinement.

Referenties

Dit artikel is geschreven in het kader van een werkgroep van het Convent van Gemeentelijke Bouwhistorici, een gremium dat sinds 2004 bestaat en dat als doel heeft het uitwisselen van informatie over gemeentelijk beleid, bouwhistorische kennis en ervaringen. Voor de desbetreffende passages leverden Jan van der Hoeve (Utrecht), Hettie Peterse (Nijmegen) en Dik de Roon (Amsterdam) belangrijke aanvullingen. De auteurs danken Peter Matzken, Team Gegevens, van de gemeente Leiden, voor zijn bijdrage aan de totstandkoming van afbeelding 13. Het voorstel voor een overzicht van bestaande bouwhistorische kaarten kwam op de vergadering van het Convent van 13 januari 2009 te Utrecht voor het eerst ter sprake.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Erfgoedbalans 2009. Archeologie, monumenten en cultuurlandschap in Nederland, Amersfoort 2009, 154-156.

Beleidsbrief MoMo Modernisering Monumentenzorg 2009. Uitgave van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, november 2009, Den Haag.

Dit bleek bijvoorbeeld bij een brand op 1 juli 2010 in de Lange Bisschopstraat in het beschermde stadsgezicht van Deventer, toen achter de twee uitgebrande gevels nog een middeleeuwse historische structuur bleek te bestaan, die vanwege de verregaande aantasting echter werd gesloopt.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bouwhistorisch onderzoek werkt!, Amersfoort 2011. Ook in de archeologie worden kaarten gebruikt ter bescherming van het historisch erfgoed. De archeologische verwachtingskaarten komen voort uit het verdrag van Malta. De bouwhistorische waardenkaart is in ’s-Hertogenbosch ontwikkeld om samen met de archeologische kaart als beleidskaarten in het bestemmingsplan voor het beschermd stadsgezicht te dienen. Ook in Amsterdam wordt een dergelijke koppeling voorbereid. Voor de niet beschermde gezichten kunnen waardenkaarten eveneens zinvol zijn.

Beleidsbrief MoMo Modernisering Monumentenzorg 2009 (noot 3).

Bouwhistorisch onderzoek werkt! (noot 5), 4.

P. van Dun, ‘Vijftig jaar stedenbouwkundige monumentenzorg’, in: P. Don e.a. (red.), In dienst van het erfgoed, Rijksdienst voor de monumentenzorg 1947-1997. Jaarboek Monumentenzorg 1997, Zwolle/ Zeist 1997, 167-193.

Zie: Van Dun 1997 (noot 8), 168. Ook delen van de binnenstad van Breda of van Den Haag passen in dit rijtje.

R. Smook, Binnensteden veranderen. Atlas van ruimtelijke veranderingen van Nederlandse binnensteden in de laatste anderhalve eeuw, Zutphen 1984. Zie: W.A. van Es e.a., Bodemarchief bedreigd, Amersfoort/Den Haag 1982.

De definitie van een Beschermd Gezicht uit de monumentenwet van 1961 luidt: ‘Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen en bruggen, grachten, vaarten, sloten en andere wateren, welke met een of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen, dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel.’

Van Dun 1997 (noot 8), 171.

A.Ch. Fortgens, Beschermde stads- en dorpsgezichten, Planologische verkenningen 3, ’s-Gravenhage 1982, 72-73, 75-76. Zie ook de brochure Hersteld verleden van dorpen en steden. Een wegwijzer voor stads- en dorpsherstel. Publicatie van de ministeries van VROM en CRM uit 1975, met voorbeelden van inventarisatiekaarten t.b.v. bestemmingsplannen, beschermde gezichten en een beschrijving van de werkwijze.

De definitie van een Beschermd Gezicht uit de monumentenwet van 1988 luidt: ‘Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meerdere monumenten bevinden.’

W. Derksen e.a., Monumentenzorg en effecten van centraal beleid. Een analyse van de bescherming van stads- en dorpsgezichten, Deventer 1983, 46-47. Zie: K. Emmens, ‘“De stenen spreken...”. Praktijkgericht bouwhistorisch onderzoek’, in: G. van Tussenbroek (red.), Bouwhistorie in Nederland. Kennis en bescherming van oude gebouwen, Utrecht 2000, 65-89, 71-72. De term bouwhistorische inventarisatie werd in de Leidraad voor praktijkgericht bouwhistorisch onderzoek, als deel 1 in de brochurereeks Architectuur en stedenbouw van de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg, als uitgangspunt voor gebiedsgerichte planontwikkeling reeds genoemd. Het dichtst in de buurt kwam nog R.C. Hekker e.a., Dorp en stad in Limburg. Ontstaan, ontwikkeling, bescherming en herstel van historische nederzettingen, Zutphen 1981. Hierin zijn voorbeelden te vinden van inventarisaties, van kaarten en bestemmingsplannen en wordt aandacht besteed aan het juridisch instrumentarium, waarbij voorbeelden over het vastleggen van de waarden van Beschermde Gezichten en de vertaling ervan in een bestemmingsplan.

Alkmaar, gevels van de binnenstad, Alkmaar 1980.

H. de la Fontaine Verwey, I.H. van Eeghen en G. Roosegaarde Bisschop, Vier eeuwen Herengracht. Geveltekeningen van alle huizen aan de gracht, twee historische overzichten en de beschrijving van elk pand met zijn eigenaars en bewoners, Amsterdam 1976; P. Spies e.a. (red.), Het Grachtenboek, Den Haag/Amsterdam 1993.

N.J. Groot e.a. (red.), Hoorn. Huizen, straten, mensen. Momenten uit de geschiedenis van monumenten, Hoorn 1982.

E.F. van der Grinten, Nijmegen benedenstad. Beschrijving van een grotendeels verdwenen stadsgedeelte aan de Waal, Nijmegen 1980.

Belangrijke overzichtswerken die hieruit zijn ontstaan zijn het typologisch opgezette C.L. Temminck Groll, Middeleeuwse stenen huizen te Utrecht en hun relatie met die van andere noordwesteuropese steden, ’s-Gravenhage 1963; M.J. Dolfin, E.M. Kylstra en J. Penders, Utrecht. De huizen binnen de singels. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, ’s-Gravenhage 1989; en het bouwbloksgewijs ingerichte boek van Ad van Drunen, ’s-Hertogenbosch van straet tot stroom, Zwolle/ Zeist 2006.

Ook het Rapenburgproject van de Universiteit Leiden is – zij het met een meer kunsthistorische inslag – onder deze inventarisaties te scharen. Th. H. Lunsingh Scheurleer, C. Willemijn Fock en A. J. van Dissel, Het Rapenburg. Geschiedenis van een Leidse gracht, I, Groenhazenburch, Leiden 1986. Het Bossche en Utrechtse initiatief werd inhoudelijk onder andere nagevolgd voor (delen van) Bergen op Zoom: J.L.C. Weyts, De Lievevrouwestraat. Zes eeuwen stadsstraat in Bergen op Zoom, Bergen op Zoom z.j.; voor Breda: W. Hupperetz, Het geheugen van een straat. Achthonderd jaar wonen in de Visserstraat te Breda, Utrecht 2004; voor Edam: C. Boschma-Aarnoudse, Edam, behouden stad. Houten en stenen huizen 1500-1800, Utrecht 2007; voor Zaltbommel: G. van Tussenbroek, Onder de daken van Zaltbommel. Bouwen en wonen in de historische binnenstad (1350-1650), Utrecht 2003, waarbij dient te worden opgemerkt dat deze studies veel kleinschaliger of gefragmenteerder waren, en vooral op particulier initiatief ontstonden en dus los stonden van het gemeentelijke beschermingsbeleid.

Zie ook: K. Steehouwer, ‘Nijmegen Grotestraat. Het demasqué der façades’, in: Monumenten en bouwhistorie. Jaarboek monumentenzorg 1996, Zwolle/Zeist 1996, 266-273. Dit artikel behandelt de inventarisatie van de Nijmeegse benedenstad, uitgevoerd door Dik Berends en Herman Janse tussen 1959 en 1973.

Dramatische voorbeelden hiervan zijn de Kokpanden in Kampen (B. Klück, D. J. de Vries, ‘Bouwhistorisch onderzoek van de Kokpanden’, in: M. Barwasser en M. Smit, Acht eeuwen tussen twee stegen. Archeologisch, historisch en bouwhistorisch onderzoek in Kampen, Kampen 1997, 25-51), of de sloop van het Enschedé-complex in Haarlem (J.-D. Gerritsen, ‘Strijdbijl tegen Enschedé-complex nog niet begraven’, Heemschut 75 (1998) februari, 6-7). Voor de bouw van het Muziektheater aan het Vrijthof in Maastricht werden in 1988 twee vroeg zestiende-eeuwse kloostervleugels gesloopt (D.J. de Vries, ‘Monumenten dendrochronologisch gedateerd (3)’, Bulletin KNOB 89 (1990) 5, 19-26). Ook de sloop in 1982 van beeldbepalende maar onbeschermde panden aan de Nieuwe Langendijk in Delft verdient vermelding. Hier bleken achter negentiende-eeuwse gevels twee vijftiende-eeuwse en een zestiende-eeuws pand schuil te gaan, die mogelijk als onderwerp van het schilderij ‘Het straatje’ van Johannes Vermeer hadden gediend. C. J. van Haaften, Nieuwe Langendijk Delft. Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van de panden 22 t/m 28, Delftse Universitaire Pers, Delft 1987.

Zie: R. Dettingmeijer, ‘Marges aan de Oude Gracht. Obstakels bij de ontwikkeling van een integraal beleid voor architectuur en stedebouw’, Archis (1990) 8, 24-31.

A. van Drunen, ‘Bouwblokinventarisaties ter bescherming van het stedebouwkundig monument. Een analyse van de historische structuur van ’s-Hertogenbosch’, Bulletin KNOB 94 (1995) 2, 58-70, 58.

De hele Bossche binnenstad is een van rijkswege beschermd stadsgezicht.

Zie ook: R. Stenvert, ‘Enkhuizen: Morphologie einer schrumpfenden vormodernen Stadt’, in: Arbeitskreis für Hausforschung (ed.), Hausbau in Holland, Baugeschichte und Stadtentwicklung. Jahrbuch für Hausforschung 61, Marburg 2010, 215-240.

Anders dan in andere steden, wordt in ’s-Hertogenbosch gesproken van waarden, die zijn opgesplitst in stedenbouwkundige, bouwhistorische en architectuurhistorische waarden. In de vereenvoudigde kaart zijn alleen stedenbouwkundige en bouwhistorische waarden opgenomen. Deze kaart maakt een onderscheid tussen de perioden voor en na 1832, met daarin aangegeven de kleuren rood, blauw en geel voor de verschillende waarden. Nieuw is het aanwijzen met paarse lijnen van een bouwhistorische zone, die samen met de kapvormen in het bestemmingsplan zou moeten worden vastgelegd.

Hierbij worden drie criteria gehanteerd: het exterieur (historisch architectonische waarde), het interieur en bouwhistorische constructies en de stedenbouwkundig/historisch geografische aspecten. De panden waarvan geen gegevens bekend zijn worden op uiterlijke kenmerken beoordeeld om de te verwachten waarden aan te geven.

J.M.H. Penders, ‘Een bouwhistorische inventarisatie in Harderwijk’, Bulletin KNOB 94 (1995) 5, 135-142.

De resultaten hiervan zijn thematisch uitgewerkt in: H. Peterse (red.), Verborgen verleden. Bouwhistorie in Nijmegen, Utrecht 2004.

De term ‘verkenning’ volgt de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek uit 2009.

Hierbij is het van belang dat er een betrouwbare methode wordt gehanteerd om ook in juridisch opzicht over een verantwoorde onderbouwing van de regelgeving te kunnen beschikken, en dat de kosten voor het opstellen van een eerste indicatieve kaart beheersbaar zijn.

R. Stenvert en G. van Tussenbroek (red.), Inleiding in de bouwhistorie. Opmeten en onderzoeken van oude gebouwen, 2e druk, Utrecht 2009, 8.

Uit onderzoek in opdracht van de RCE is gebleken dat bouwhistorische waarden ruimtelijk relevant kunnen zijn. Om bouwhistorische waarden in bestemmingsplannen te kunnen verankeren is het wel van groot belang dat de verwachting (indicatieve bouwhistorische waarden) aannemelijk wordt gemaakt. Zie: H. Witbreuk, A.G.A. Nijmeijer en M.A.A. Soppe, Bescherming Bouwhistorische Waarden, Kienhuis Hoving Advocaten en Notarissen, Enschede 2009, 16-21. De term ‘verwachting’ bleek in het verleden bij een groot aantal gebouwen daadwerkelijk een aanleiding te zijn voor ontdekking van cultuurhistorische waarden, van Groningen tot Maastricht, van Zutphen tot Den Haag.

Bij een waardering zou voor bepaalde doelstellingen eventueel een gradatie in waarden (van hoog tot middel tot laag) kunnen worden gehanteerd. Een systematiek hiervoor is nog niet uitgewerkt.

R. Glaudemans, Een bouwhistorische waardenkaart voor de stadskern van Amsterdam. Publicatiereeks Amsterdamse Monumenten 1, Amsterdam 2008. De ordekaarten doen een uitspraak over stedenbouwkundige en architectonische waarden.

Glaudemans 2008 (noot 37), 10.

Glaudemans 2008 (noot 37), 11.

W. Boerefijn en E. Orsel, ‘De bouwhistorische verwachtingskaart’, in: Y.M.J. Lammers-Keijsers (red.), Ongekend Leiden. Het verleden in kaart, Leiden 2009, 49-72.

Boerefijn en Orsel 2009 (noot 40), 55-56.

Wederopbouwarchitectuur is hier nog niet in opgenomen. Boerefijn en Orsel 2009 (noot 40), 72.

www.nijmegen.nl/wonen/oudste_stad/monumenten/bouwhistorie/bouwhistorische_waardenkaart, geraadpleegd op 25 maart 2011.

Er is gekozen voor een GIS-structuur, zodat de mogelijkheid bestaat ook onderzoeksgegevens in kaartbeelden weer te geven. De waarderingskaart vormt daardoor slechts één laag van een groter geheel. Ook kunnen thematische onderzoekskaarten worden ontwikkeld. De noodzaak voor een dergelijke ontsluiting van informatie komt naar voren in gebiedsgerichte, grootschalige projecten, zoals het project 1012 (de opschoning van de Wallen), de in uitvoering zijnde inventarisatie van panden langs het tracé van de Noord/Zuidlijn of een inventarisatieproject van historische interieurs, dat in 2011 van start is gegaan.

Bouwhistorisch onderzoek werkt! (noot 5), 4.

Bouwhistorisch onderzoek werkt! (noot 5), 2.

Bouwhistorisch onderzoek werkt! (noot 5), 6.

Bouwhistorisch onderzoek werkt! (noot 5). In ’s-Hertogenbosch is de waardenkaart ingebed in de Ruimtelijke Ordening en gekoppeld aan het bestemmingsplan van het Beschermd Stadsgezicht (BSG). De raad van Nijmegen stelde de bouwhistorische kaart op 27 januari 2010 vast. www.nijmegen.nl/wonen/oudste_stad/mo-numenten/bouwhistorie/bouwhistorische_waardenkaart, geraadpleegd op 25 maart 2011.

In dit artikel zijn alleen bouwhistorische kaarten van historische binnensteden behandeld. De methode functioneert echter ook goed voor landelijke gebieden, zoals in Groningen is ervaren. Verslag overleg Convent van Gemeentelijke Bouwhistorici, Nijmegen, 15 september 2009, 13.30-17.00 uur.

##submission.authorBiographies##

Gabri van Tussenbroek, Utrecht University, Humanities & Amsterdam, Bureau Monumenten & Archeologie (BMA)
Dr. G. van Tussenbroek, dr. ir. A. van Drunen en ir. E. Orsel zijn stedelijk bouwhistorici van respectievelijk Amsterdam, 's- Hertogenbosch en Leiden. Zij schreven dit artikel namens het Convent van Gemeentelijke Bouwhistorici, een gremium dat sinds 2003-2004 bestaat. Het heeft als doel het uitwisselen van praktische informatie over de bouwhistorie binnen gemeentelijk beleid.
Ad van Drunen, Municipality of ’s-Hertogenbosch
Dr. G. van Tussenbroek, dr. ir. A. van Drunen en ir. E. Orsel zijn stedelijk bouwhistorici van respectievelijk Amsterdam, 's- Hertogenbosch en Leiden. Zij schreven dit artikel namens het Convent van Gemeentelijke Bouwhistorici, een gremium dat sinds 2003-2004 bestaat. Het heeft als doel het uitwisselen van praktische informatie over de bouwhistorie binnen gemeentelijk beleid.
Edwin Orsel, Municipality of Leiden, Unit Monuments & Archeology
Dr. G. van Tussenbroek, dr. ir. A. van Drunen en ir. E. Orsel zijn stedelijk bouwhistorici van respectievelijk Amsterdam, 's- Hertogenbosch en Leiden. Zij schreven dit artikel namens het Convent van Gemeentelijke Bouwhistorici, een gremium dat sinds 2003-2004 bestaat. Het heeft als doel het uitwisselen van praktische informatie over de bouwhistorie binnen gemeentelijk beleid.
Hoe te citeren
VAN TUSSENBROEK, Gabri; VAN DRUNEN, Ad; ORSEL, Edwin. Bouwhistorische waardenkaarten. Een gebiedsgerichte benadering van bouwhistorisch erfgoed. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 40-53, mrt. 2012. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/vanTussenbroek40>. Datum gebruik: 19 sep. 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.111.2012.2.101.
Gepubliceerd
2012-03-01