Twee kapitelen uit de Bilt

  • Elizabeth den Hartog Leiden University

Samenvatting

This article is concerned with two capitals, one from the former convent of Vrouwenklooster, the other from Vrouwenklooster or the nearby monastery of Oostbroek. The small Vrouwenklooster capital dates from around 1139 and its main interest lies in the type of stone that was used, Drachenfels trachyte. At the time this capital was made, this stone was quarried near Heisterbach along the river Rhine by the Cologne cathedral chapter. Its application at Vrouwenklooster may therefore indicate close ties with the bishopric of Cologne. The decoration of the capital is rudimentary and its execution quite sloppy. Consequently, it is likely that the piece was intended for an elevated position. This could have been a bipartite window or opening.

The second capital is more interesting from an iconographical point of view, as it is decorated with four grim-looking, grinning monster heads. This capital, too, is likely to have been located in an elevated position. In the article it is argued that the monstrous heads on the capital were not so much intended to ward off danger and demons as is often thought in the literature on such images. Such a function would imply that the monsters were intended as amulets, the use of which was in fact forbidden by the Church. Of course, rules were broken, but as both Vrouwenklooster and Oostbroek were known as strict institutions, the idea that the monster heads were apotropaic in function is out of the question. The idea that such heads represent some sort of social criticism also seems far off the mark. Monsters frequently feature in the monastic literature of the period and were considered to be a scourge, sent to test the religious fervour and stamina of the monastic communities, in much the same way as the biblical figure Job was made to suffer, even though he was a righteous man.

One could only truly be considered righteous if one kept one's faith when faced with affliction. Monsters were thus not to be warded off, for they had a useful task to fulfil. It was the nun's or monk's task to stand firm and prove themselves above sin. On the basis of such ideas, it is argued in the article that the monster heads were intended as a message to the demons, that here was an institution where the monks or nuns knew how to deal with evil. They were warriors of Christ and steadfast in their faith. Both pieces indicate that the now lost churches of Vrouwenklooster and Oostbroek must have been representative buildings which - in comparison to ordinary parish churches - were richly decorated. The two capitals thus testify to the once rich monastic culture in the region around Utrecht of which very little has survived.

Referenties

Met dank aan Douwe Tijsma en Ton van Rooijen voor hun hulp bij dit onderzoek.

Dit bedrijf is sinds september 2010 failliet.

Het uitvoerige verslag van de heer M. Meier (Bilthoven 1968) aangaande de tijdens deze summiere opgraving gedane waarnemingen is niet gepubliceerd. Met dank aan Douwe Tijsma voor het mij ter beschikking stellen van een exemplaar van dit document. De vondst van het ‘zandstenen’ kapiteel wordt gemeld op pagina 17.

In 1983 werd de toenmalige archiefbeheerder, Abe Postema, verteld dat het kapiteel van een hekpijler van een boerderij afkomstig zou zijn. In de uitgebreide beelddocumentatie van het Utrechts Archief heb ik een dergelijke hekpijler niet terug kunnen vinden. Wel zijn er in de hekpijlers die de toegang naar de villa Bezuidenhout flankeren gotische pinakels ingemetseld, zoals te zien is op een foto uit 1908 in het Utrechts Archief (catalogusnummer 92420, foto uit 1908 door fotograaf J. Holm). Meier schrijft in 1968 dat de ingemetselde pinakels in een sloot langs de Kloosterlaan werden gevonden en rond 1895 naar de huidige locatie langs de Visscherslaan werden overgebracht en ingemetseld. Het komt mij voor dat dit de hekpijlers zijn die in het verhaal genoemd werden en dat de woordvoerder van de heer Postema de zaken heeft verward.

In 1994 stelde de heer Chr.J. Kolman in opdracht van de gemeente De Bilt een driedelig rapport op waarvan deel I een inventarisatie behelsde van alle beschikbare gegevens omtrent het Vrouwenklooster in De Bilt. Hij maakte een overzicht van de opgravingvondsten uit de jaren 1966-1968 op pagina 12 en 13. Bij het gevonden kapiteel wordt verwezen naar Meier 1968, Daar staat evenwel niets over een dergelijk stuk; Meier meldt de vondst van het kapiteel op pagina 17. Het rapport van Kolman werd niet gepubliceerd. Wederom met dank aan Douwe Tijsma voor het beschikbaar stellen van een kopie van dit document. Op pp. 11-12 wordt een overzicht gegeven van de vondsten van voor 1900.

Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, nr. 282.

Een wetenschapper die recentelijk de oorkonde wantrouwde is J. van Moolenbroek, ‘Vrouwen en visioenen in de abdij Oostbroek’, in: S. Corbellini e.a. (red.), Wonderen voor alledag. Elf opstellen over godsdienst en samenleving in de Middeleeuwen, Hilversum 2006, 40-41. Andere onderzoekers beschouwen de oorkonde wel degelijk als echt: C.A. van Kalveen, ‘De vijf adellijke vrouwenkloosters in en om de stad Utrecht’, in: E. S. C. Erkelens-Buttinger e.a. (red.), De kerk en de Nederlanden. Archieven, instellingen, samenleving, Hilversum 1997, 152-167, en recent A. Doedens en H. Looijesteijn, De kroniek van Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster, Hilversum 2010.

Vermoedelijk gaat het hier om dezelfde Ludolfus die in 1089 monnik werd te Affligem en vervolgens de eerste prior werd van de rond 1100 gestichte Andreasabdij bij Brugge.

Johannis de Beke, Chronographia, uitgegeven door H. Bruch, Rijks geschiedkundige publicatiën. Grote serie 143, Den Haag 1973, 99.

Het Utrechts Archief (HUA), A. Buchelius, Monumenta, fol. 139r-140v.

H.F. van Heussen, Historia episcopatuum foederati Belgii, Leiden 1719, 31.

HUA, Archief van het vrouwenklooster van benedictinessen te De Bilt 1219-1797, 1005-4, inv. nr. 250, fol.44r.

Doedens en Looijesteijn 2010 (noot 7), 90-91. Zij hertalen het woord ‘getimmert’ als ‘gebouwd van hout’. Dat is onjuist. Het woord ‘getimmert’ zegt in dit geval niets over het materiaal.

Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, nr. 302.

Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, nr. 313.

Van Moolenbroek 2006 (noot 7), 49.

HUA, A. Buchelius, Monumenta, fol. 140r. ‘Van brokstukken uit de kloosterruïnes [die hij] in de stad [zag], heeft advocaat Gijsbert Lap van Waveren genoteerd: Op 13 november 1128 overleed Godebald, 24e bisschop van Utrecht, geboortig uit Friesland, die zestien jaar dit ambt heeft bekleed. Hij is hier begraven, moge zijn ziel in vrede rusten. Op de urn, waarin zijn beenderen lagen, schijnt aan de bovenzijde een wolf, aan de onderzijde een kruis gestaan te hebben. Daar schijnen eveneens bisschopswapens gebeeldhouwd te zijn geweest, maar uit de overblijfselen bleek dat deze niet uit de tijd van Godebald waren.’ Hertaling overgenomen van de website van het Utrechts Archief: http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/handschriften/buchelius/monumenta/254.

Beke, uitgave Bruch 1973 (noot 9), 107.

HUA, Archief van het vrouwenklooster van benedictinessen te De Bilt 1219-1797, 1005-4. Inventaris door C.A. van Kalveen, inv. nrs. 297-298.

Meier 1968 (noot 3), 2, zonder bronvermelding.

Meier 1968 (noot 3), 2.

Kalveen 1997 (noot 7), 152-154.

HUA, Archief van het vrouwenklooster van benedictinessen te De Bilt 1219-1797, 1005-4. Inventaris door C.A. van Kalveen.

Ibidem inv. nr. 250, fol. 44r. Voor dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van de transcripties van het archiefmateriaal aangaande Vrouwenklooster op de website van het Utrechts Archief, vervaardigd door Jan van der Heijden, Anton de Bruijn, Truus de Bruijn, Angelique Hajenius, Ru Hofman en Gerrit Lankwarden: http://files.archieven.nl/39/f/1005-4/Vrouwenklooster-boek.pdf.

Ibidem inv. nr. 250, fol. 44r.

Ibidem inv. nr. 250, fol. 44v.

Ibidem inv. nr. 250, fol. 45v.

Ibidem inv. nr. 250, fol. 45v.

Ibidem inv. nr. 250, fol. 46v.

In Nederland zijn op verschillende andere plekken trachietkapitelen gevonden, onder meer in de vrijwel contemporaine benedictinessenabdij te Rijnsburg, die in 1133 door gravin Petronella van Holland werd gesticht, en het cisterciënzerinnenklooster te Sion in Friesland. Zeker het veel grotere kapiteel in Rijnsburg, dat paste bij een zuil met een doorsnede van 51 cm, is wel vergelijkbaar met dat uit De Bilt. Het dateert waarschijnlijk van de door gravin Sophia, de echtgenote van graaf Dirk VI, doorgevoerde herbouw. Zij liet de kerk vanaf de fundamenten nieuw bouwen. Sophia zou de voltooiing van haar kerk niet meer meemaken, zij stierf in 1176. De wijding had plaats in 1183. Het kapiteel uit Sion heeft een heel ander karakter.

F. Berres, Gesteine des Siebengebirges. Entstehung – Gewinnung – Verwendung, Königswinter 1996, 55-56; A. Thon en A.S. Klein, Burgruïne Drachenfels, Kleine Kunstführer 2651, Regensburg 2007.

Volgens Peter Grootjans, die door Ton van Rooijen gevraagd werd de steensoort nader te bekijken, gaat het hier om een trachiet, waarschijnlijk uit de Eifel. De steen bevat glimmers en veldspaten, maar lijkt weinig tot geen kwarts te bevatten. Dat laatste zou betekenen, dat het relatief een zacht gesteente is, geschikt voor vormgeving door een steenhouwer.

Buchelius, Monumenta, fol. 140r. Hertaling overgenomen van de website van het Utrechts Archief: http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/handschriften/buchelius/monumenta/254.

G. Zarnecki et al., English Romanesque Art 1066-1200, Londen 1984, 194.

Voor een overzicht: T.E.A. Dale, ‘The Monstrous’ en L. Kendrick, ‘Making Sense of Marginalized Images in Manuscripts and Religious Architecture’, in: C. Rudolph (red), A Companion to Medieval Art: Romanesque and Gothic in Northern Europe, 2010, 253-274 en 295.

Na 1989 heeft Mâle zijn boek drie maal herzien en het is de derde editie, die in 1910 verscheen, die in het Engels zou worden vertaald onder de titel The Gothic Image, Religious Art in France of the Thirteenth Century.

H. Schade, Dämonen und Monstren. Gestaltungen des Bösen in der Kunst des frühen Mittelalters, Regensburg 1962, 58.

R. Mellinkoff, Averting Demons: The Protective Power of Medieval Visual Motifs and Themes, 2 vols. Los Angeles 2004.

Mellinkoff 2004 (noot 38), 103-107.

M. Camille, Image on the Edge. The Margins of Medieval Art, Londen 1992, 79-80.

L. Hansmann en L. Kriss-Rettenbeck, Amulett und Talisman. Erscheinungsform und Geschichte, München 1977, 14-16: ‘Superstitio ist hier nicht als Aberglaube im modernen Sinne zu verstehen, sondern als ein Glauben, Tun und Handeln abseits des legitimen und rechten Glaubens, die nicht nur leerem Wahn entspringen, sondern denen Realitäten entsprechen. Superstitio ist Abfall von Gott und gläubige Bindung an dessen Widerpart, an den Satan, an die Dämonen oder die vergötzte Macht der eigenen Person.’

J. Engemann, Deutung und Bedeutung frühchristlicher Bildwerke, Darmstadt 1997, 162-171.

G. Nijsten, Volkscultuur in de Late Middeleeuwen. Feesten, processies en (bij)geloof, Utrecht/Antwerpen 1994, 27-28; C. Tuczay, Magie und Magier im Mittelalter, München 2003, 90.

Tuczay 2003 (noot 43), 81-90.

‘Jesus und der heiliger Chorst waldt ess durch den vatter, durch den sohn und durch seinen heiligen geist. Nhu scheide dich Wette rund windt, wie Maria is gescheidenn vonn ihrem l(i)eben kindt, durch den vatter, durch den sohn und den heiligen geist’: F. Irsigler en A. Lassotta, Bettler und Gaukler, Dirnen und Henker. Aussenseiter in einer mitteralterlichen Stadt, Keulen 1984 (heruitgave 1993, vijfde druk), 160-161.

J. van Moolenbroek, ‘Zeeuwen in verzet tegen hun kerkelijke rechters’, in: Corbellini e.a. (red.), 2006 (noot 7), 282.

Hansmann en Kriss-Rettenbeck 1977 (noot 41), 14-16.

Camille 1992 (noot 40), 84.

N. Kenaan-Kedar, Marginal Sculpture in Medieval France. Towards the deciphering of an enigmatic pictorial language, Cambridge 1995, 1-7.

Kenaan-Kedar 1995 (noot 49), 2 en 6 noot 10.

Kenaan-Kedar 1995 (noot 49), 53 en 70-73.

Kenaan-Kedar 1995 (noot 49), 42: ‘By placing representations of themselves in the corbel series in the immediate vicinity of jongleurs and musicians, the sculptors declared their affinity with society’s marginals and at the same time introduced a pictorial signature instead of a written one’.

Kenaan-Kedar 1995 (noot 49), 15 en 128.

Buchelius, Monumenta, fol. 140r. Hertaling overgenomen van de website van het Utrechts Archief: http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/handschriften/buchelius/monumenta/254.

Van Moolenbroek 2006 (noot 7), 31-73.

Londen, British Library, Cotton Tiberius C. XI, fols.170r-171r.

Van Moolenbroek 2006 (noot 7), 44-47.

Caesarius van Heisterbach, Boek der mirakelen, ingeleid en vertaald door G.J.M. Bartelink, ’s-Hertogenbosch 2003, 197 en 198.

Zie onder meer: C. Rudolph, Violence and Daily Life. Reading, Art, and Polemics in the Cîteaux ‘Moralia in Job’, Princeton 1997.

Biografie auteur

Elizabeth den Hartog, Leiden University

Dr. E. den Hartog is als docent oudere bouwkunst verbonden aan het Kunsthistorisch Instituut van Universiteit te Leiden en is tevens directeur van de Kastelenstichting Holland en Zeeland. Zij promoveerde in 1988 aan het Courtauld Institute of Art van de Universiteit van Londen en schreef nadien verschillende boeken en artikelen over Romaanse architectuur en beeldhouwkunst in de Maasvallei. Voorts publiceert zij regelmatig over middeleeuwse kunst en architectuur, en over Hollandse kastelen en buitenplaatsen. Momenteel werkt zij, in samenwerking met anderen, aan een monografie over de Pieterskerk in Leiden en is, in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, bezig met een inventarisatie van de gotische bouwsculptuur in Nederland.

Hoe te citeren
DEN HARTOG, Elizabeth. Twee kapitelen uit de Bilt. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 133-143, juli 2011. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/denHartog133>. Datum gebruik: 22 mei 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.110.2011.3/4.85.
Gepubliceerd
2011-07-01