Landschap als erfgoed. Historische processen en gelaagde landschappen

  • Hans Renes Utrecht University, Urban and Regional Research Centre Utrecht

Samenvatting

During the twentieth century, the man-made landscape was gradually discovered as cultural heritage. At first, the leading idea was, that the man-made landscape was the result of a slow process leading up to a 'climax' in the nineteenth century. Since then, landscapes have been changing at an increasing speed. Conservation aimed at protecting the 'traditional' landscapes that had more or less survived the twentieth century. During the 1980s new research showed that many landscapes had a dynamic and often troubled history. Mapping methods were developed, showing the landscape as a collection of objects, each with its own history. Although these methods saw landscape history as dynamic, they were at the same time reductionist visions, losing sight of the landscape as a whole. In recent years new methods, such as the 'biographical' approach, have opened new perspectives on the management of landscapes with complex histories.

A special tool for research as well as for planning is the metaphor of historical layers in the landscape. It is evident that layers do not only exist in the archaeological sense (vertical layers, that can be peeled off to reach older traces), but also in a geographical sense (horizontal patterns as a result of, for example, innovation-diffusion). In other cases, traces of different periods are intermixed, when different activities took place on the same surface, each development erasing most earlier traces but at the same time leaving traces as a 'palimpsest'. Moreover, 'intellectual layers' can be distinguished where older periods are reactivated. Lastly, even objects that seem unchanged for many centuries, have received different functions and meanings in the course of time, making it possible to distinguish 'layers of meaning'.

Referenties

Zie en vergelijk de bijdrage van Rob Dettingmeijer in deze aflevering van het Bulletin KNOB.

J. Dekker, De ontdekking van het kultuurlandschap; de bijdrage van de Werkgroep voor de Cultuurlandschappen van de Contactcommissie voor Natuur- en Landschapsbescherming 1944-1950; een voorstudie, Utrecht 1993.

T. Mels, Wild landscapes; the cultural nature of Swedish National Parks, Lund 1999.

Zie bijvoorbeeld: W. Cronon, ‘The trouble with wilderness; or, getting back to the wrong nature’, in: W. Cronon (red.), Uncommon ground; toward reinventing nature, New York/Londen 1995, 69-90. Voor de internationale discussies was een belangrijk boek dat van Birks e.a., waarin op initiatief van enkele ecologen een interdisciplinair samengestelde groep auteurs duidelijk maakte hoezeer de meeste beschermde landschappen het resultaat waren van beheer door de mens: H.H. Birks e.a. (red.), The cultural landscape: past, present and future, Cambridge 1988. Het boek heeft onder meer de discussie over (cultuur)landschappen binnen UNESCO wezenlijk beïnvloed: P. Fowler, Landscapes for the World; conserving global heritage, Macclesfield 2004, 17.

J. Renes, Erfgoed in interessante tijden; rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Erfgoedstudies, in het bijzonder erfgoed van stad en land, vanwege het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, bij de faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam op 7 juli 2011, Amsterdam 2011.

D. Pocock, ‘Some reflections on World Heritage’, Area 29 (1997), 260-268; M. Rössler, ‘UNESCO and cultural landscape protection’, in: B. von Droste, H. Plachter en M. Rössler(red.), Cultural landscapes of universal value, Jena/Stuttgart/New York 19955, 42-49.

J. Aitchinson, ‘Cultural landscapes in Europe: a geographical perspective’, in: B. von Droste e.a1995 (noot 6), 272-288.

Y. Ying, ‘Mt. Huangshan and Mt. Taishan, outstanding cultural landscapes in: China’, in: B. von Droste e.a. 1995 (noot 6), 114-127.

T. Spek, ‘Bodem, milieudynamiek en locatiekeuze op het Drents Plateau (3400 v.Chr.‑1850 na Chr.)’, in: J.N.H. Elerie, S.W. Jager en T. Spek, Landschapsgeschiedenis van De Strubben/Kniphorstbos; archeologische en historisch‑ecologische studies van een natuurgebied op de Hondsrug, Groningen 1993, 167‑236, vooral 196.

E. Frijters e.a., Tussenland, Rotterdam/Den Haag 2004.

Zie met name: G. Fairclough en S. Rippon, Europe’s cultural landscape; archaeologists and the management of change, Brussel 2002.

Vanwege de stad waar het werd gesloten, spreekt men ook wel van het Verdrag van Florence. Zie http://www.coe.int/t/dg4/cultureheritage/heritage/landscape/ [geraadpleegd 23-8-2011].

Een recente controle bleek hetzelfde beeld op te leveren. Nederland stond nog altijd geregistreerd als een land zonder beschermde landschappen, mede omdat niemand de moeite had genomen om de Nationale Landschappen aan te melden. Bron: IUCN & UNEP (2010), The World Database on Protected Areas (WDPA), Cambridge, www.protectedplanet.net [geraadpleegd 25-1-2011].

Ook hadden de begrenzingen van beschermde gezichten ruim kunnen worden getrokken, zodat aanzienlijke stukken landschap binnen zo’n gezicht hadden kunnen worden beschermd. Dit is echter slechts in weinig gevallen gebeurd. Zie L. Prins, ‘Historische geografie en de bescherming van stads- en dorpsgezichten; een overzicht’, in: A.P. de Klerk e.a. (red.), Historische geografie in meervoud; historisch-geografische opstellen aangeboden aan prof. dr. M.W. Heslinga ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar in de sociale geografie, in het bijzonder de historische geografie en de geschiedenis der geografische wetenschappen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, Utrecht 1984, 67-77. Van den Berg toonde aan dat zelfs complete gebieden, zoals het Groene Hart, als ‘gezicht’ onder de Monumentenwet hadden kunnen worden gebracht: T. van den Berg, ‘Het beschermde gezicht van het Groene Hart; dynamische grootschalige gezichten en de monumentenwet’, Planologische Discussiebijdragen 1995, 23-32.

Pogingen om ruime grenzen rond archeologische monumenten te leggen, werden in enkele processen door de rechter verboden. In het geval van de Romeinse villa in Voerendaal verbood de rechter in het belang van de plaatselijke agrariër om gebied te beschermen waarvan niet zeker was dat de villa zich daartoe had uitgestrekt. Het gevolg was dat de villa moest worden opgegraven om de grenzen te bepalen, waarmee het tegengestelde werd bereikt van wat de Monumentenwet beoogde (namelijk behoud ‘in situ’): R.H.J. Klok, ‘De Romeinse villa te Voerendaal; een beroep ingevolge de Monumentenwet’, Tijdschrift Koninklijke Nederlandsche Heide Maatschappij 92 (1981), 25-36, 193. Zie voor een ander voorbeeld: R.H.J. Klok, ‘De terpenreeks te Wijnaldum; een beroep ingevolge de Monumentenwet’, Tijdschrift Koninklijke Nederlandsche Heide Maatschappij 93 (1982), 186-195.

H.P. Gorter, Ruimte voor natuur; 80 jaar bezig voor de natuur van de toekomst, ’s-Graveland 1986.

Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Advies van de Interdepartementale Commissie nationale parken en nationale landschapsparken; deel 2 Interimadvies Nationale Landschapsparken, ’s-Gravenhage 1975; Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Eindadvies Nationale Landschapsparken, ’s-Gravenhage 1980.

In de Nota Landelijke Gebieden (Derde nota over de ruimtelijke ordening, deel 3: nota landelijke gebieden; deel 3a: beleidsvoornemens over ontwikkeling, inrichting en beheer, ’s-Gravenhage 1977, 72) werd het begrip ‘verweving’ een belangrijk uitgangspunt. Naast gebieden met als hoofdfunctie landbouw of natuur werd een aantal gemengde gebieden onderscheiden, die werden omschreven als ‘gebieden met afwisselend landbouw en andere functies’, respectievelijk in ‘grotere’ en in ‘kleinere’ ruimtelijke eenheden.

Ministerie van Landbouw en Visserij, Nota betreffende de relatie landbouw en natuur- en landschapsbehoud; gemeenschappelijke uitgangspunten voor het beleid inzake de uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud waardevolle agrarische cultuurlandschappen, ’s-Gravenhage 1975.

De invoering van de quota’s was deel van een ingrijpend pakket van maatregelen die waren voorbereid door de Ierse landbouwcommissaris MacSharry.

J. Boelen, ‘Beheersovereenkomsten in het landelijk gebied’, Cultuurtechnisch Tijdschrift 25 (1986), 389-400 (zie vooral afb. 1).

Ministerie van Landbouw en Visserij, Natuurbeleidsplan, beleidsvoornemen, Den Haag 1989.

D.F. Sijmons, Het casco-concept; een benaderingswijze voor de landschapsplanning, Utrecht 1991.

H. Renes, ‘Ministerie van LNV faalt met historische cultuurlandschappen’, Geografie 10 (2001) 4, 47-49; H. Renes, ‘Landscape preservation in The Netherlands since the end of the nineteenth century’, in: V. van Eetvelde, M. Sevenant en L. van de Velde (red.), Re-Marc-able Landscapes / Marc-ante landschappen; liber amicorum Marc Antrop, Gent 2008, 143-158.

Zie voor de ontwikkeling van het historisch-geografische onderzoek in deze periode: J. Renes, Landschappen van Maas en Peel; een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg, Leeuwarden 1999.

R.H.J. Klok en J.A.J. Vervloet, ‘Pleidooi voor de bescherming van cultuurhistorische of historisch-landschappelijke waarden’, Bulletin KNOB 82 (1983), 2-21.

W. Eggenkamp, ‘Huidig instrumentarium bij gezichten, landschappen & archeologie’, in: Toekomst beschermd gezicht? Stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap, Den Haag 2011, 6-10.

Renes 2001 (noot 24). [moet hier een paginacijfer worden toegevoegd? Niet nodig: is kort artikel]

F. Feddes (red.), Belvedere, beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting, Den Haag 1999. Zie en vergelijk de bijdrage van Eric Luiten in deze aflevering van het Bulletin KNOB.

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer / Rijksplanologische Dienst, Ruimte maken, ruimte delen; Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening 2000/2020, Den Haag 2001, 165.

Ministeries van VROM, LNV, VenW en EZ, Nota ruimte; ruimte voor ontwikkeling, Den Haag 2004, 118-119.

Over Nationale Landschappen zie onder meer: J. Janssen, ‘Sustainable development and protected landscapes: the case of the Netherlands’, International Journal of Sustainable Development & World Ecology 16 (2009), 37-47; J. Janssen, ‘Protected landscapes in the Netherlands: changing ideas and approaches’, Planning Perspectives 24 (2009), 435-455; J. Janssen, N. Pieterse en L. van den Broek, Nationale Landschappen; beleidsdilemma’s in de praktijk, Rotterdam / Den Haag 2007; H. Renes, ’The Dutch National landscapes 1975-2010: policies, aims and results’, Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 102 (2011), 236-244.

Renes 2011 (noot 5). [moet hier een paginacijfer worden toegevoegd?]

In het buitenland is dit niet anders. Een recent voorbeeld biedt het artikel van K. Solymosi, ‘Indicators for the identification of cultural landscape hotspots in Europe’, Landscape Research 36 (2011), 3-18. De schrijfster wijst hier op het bestaan van landschappen die in recente tijd weinig veranderd zijn, onder meer door hun geïsoleerde ligging. Eenzelfde gedachte is exact vijftig jaar eerder al geponeerd door de Duitse geograaf Niemeier, die de term Agrarlandschaftliche Reliktgebiete gebruikte: G. Niemeier, ‘Agrarlandschaftliche Reliktgebiete und die Morphogenese von Kulturlandschaften im atlantischen Europa’ Geografiska Annaler 43 (1961), 229-235. In Nederland heeft Nelissen ooit de term ‘monumentale districten’ gemunt: N. Nelissen, ‘Monumentale districten; een aanzet tot de bescherming van waardevolle natuur- en cultuurgebieden’, Recreatievoorzieningen (1978), 328-332. Al deze termen gaan uit van een te statisch beeld van de oudere ontwikkeling van landschappen.

De ecoloog V. Westhoff onderscheidde een vroegere verrijkende van een moderne verarmende invloed van de mens.

S. van den Bergh, ‘Het vergeten landschap; de waarde van het landschap van de ruilverkaveling’, in: M.A.W. Gerding (red.), Belvedere en de geschiedenis van de groene ruimte, Groningen/Wageningen 2003, 111-138. Zie ook: S. Penrose, Images of change; an archaeology of England’s contemporary landscape, Swindon 2007. Recent zijn enkele Wederopbouwlandschappen aangewezen als ‘van nationaal cultuurhistorisch belang’. Voorbeelden zijn de Noordoostpolder en de ruilverkavelde gebieden Walcheren, Beltrum en West Maas en Waal. Zie Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte, http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u6/Visie%20erfgoed%20en%20ruimte.pdf [geraadpleegd 10-10-2011]. Dit leidt tot de vreemde situatie dat twintigste-eeuwse landschappen in het rijksbeleid meer aandacht krijgen dan oudere cultuurlandschappen.

Zie bijvoorbeeld de kaart in: S. Barends e.a., Het Nederlandse landschap, een historisch-geografische benadering, Utrecht 2010. De kaart gaat uit van namen als krijt/lösslandschap, zeekleilandschap etc.

Zie de voorbeelden in: A.J. Thurkow, Atlas van Nederland, Deel 2, Bewoningsgeschiedenis, 's-Graven­hage 1984, 21.
Zie ook het project voor een Historisch-landschappelijke kaart van Nederland: C.H.M. de Bont, ‘De historisch-landschappelijke kartering van Nederland 1:50.000: enkele hoofdlijnen’, K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift 19 (1985), 442-449; C. de Bont en J. Renes, De Historisch-land­schappelijke Kaart van Nederland, schaal 1:50 000; legenda en proefkarteringen, Wageningen 1988.

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Ruimte maken, ruimte delen; vijfde nota over de ruimtelijke ordening 2000/2020, Den Haag 2001, 25.

Feddes 1999 (noot 29).

J. Kolen, De biografie van het landschap; drie essays over landschap, geschiedenis en erfgoed, Amsterdam 2005; N. Roymans e.a., ‘Landscape biography as research strategy: the case of the South Netherlands Project’, Landscape Research 34 (2009), 337–359. De landschapsbiografie is onder meer geïnspireerd door antropologische literatuur waarin wordt gewezen op de ‘biografie’ van voorwerpen: I. Kopytoff, ‘The cultural biography of things: commodization as process’, in: A. Appadurai, (red.), The social life of things; commodities in cultural perspective, Cambridge 1986, 64-91.

C. van der Heijden e.a., ‘Brabant van Bronstijd tot Belvedere; de biografie van het Brabantse zandlandschap’, Brabants Heem 55 (2003), 89-101.

De laatste jaren verschenen boeken over ‘het gelaagde brein’, ‘de gelaagde organisatie’ en ‘de gelaagde religie’. Bij de laatste gaat het bijvoorbeeld om de wijze waarop de moderne christelijke religie doortrokken is van sporen van oudere, ‘heidense’ godsdiensten. Pogingen om die sporen te verwijderen en de godsdienst te rationaliseren, leiden nogal eens tot fundamentalisme; een waarneming die we ook op landschappen kunnen toepassen: C. Lucas, De gelaagde religie; over mythische verhalen en kritische atheïsten, Antwerpen/Baarn 1996.

Een voorbeeld is: M. van den Broeke, Gelaagd land; wandelingen over het eiland Walcheren, Vlissingen 1999. Hij beschrijft het zo (pagina 9): ‘Laag voor laag heeft de tijd zijn sporen op Walcheren nagelaten, hier en daar brokkelt het vernis af en komen oude lagen te voorschijn voor wie het zien wil.’

Deze noot is niet duidelijk, met name het tweede deel over Stephen Daniels: wie schreef welk artikel in welk boek of tijdschrift? Graag noot helderder formuleren, volgens algemene richtlijnen. Het gaat om een discussie over een boek. Ik heb dit uitgebreid met Reinout Rutte besproken en we kwamen samen tot de conclusie dat deze formulering juist is. De term palimpsest is in het historisch onderzoek geïntroduceerd door de Engelse historicus F.W. Maitland (1850-1906) en is door de geograaf en landschapsarcheoloog O.G.S. Crawford (1886-1957) toegepast op het landschap: M. Bowden, ‘Mapping the past; O.G.S. Crawford and the development of landscapes studies’, Landscapes 2 (2001), 29-45. Onlangs beschreef de Engelse geograaf Stephen Daniels de palimpsest als ‘the presiding metaphor of deep landscape reading’ (S. Daniels, in V. della Dora, H. Lorimer & S. Daniels, ‘Classics in human geography revisited; Denis Cosgrove and Stephen Daniels (eds) (1988) The iconography of landscape: essays on the symbolic representation, design and use of past environments. Cambridge UP, Cambridge’, Progress in Human Geography 35 (2011), 264-270.

M. Hidding, J. Kolen en T. Spek, ‘De biografie van het landschap; ontwerp voor een inter- en multidisciplinaire benadering van de landschapsgeschiedenis en het cultuurhistorisch erfgoed’, in: J.H.F. Bloemers en M.-H. Wijnen (red.). Bodemarchief in behoud en ontwikkeling; de conceptuele grondslagen, Assen 2001, 7-109.

Hidding e.a. 2001, 13 (noot 46).

W. van der Sanden, Reuzenstenen op de es; de hunebedden van Rolde, Zwolle / Assen, 2007.

Biografie auteur

Hans Renes, Utrecht University, Urban and Regional Research Centre Utrecht

Prof. dr. J. Renes is bijzonder hoogleraar Erfgoed van Stad en Land aan de Faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hans Renes is daarnaast docent Historische Geografie en Erfgoed aan de Universiteit Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in geschiedenis en erfgoed van cultuurlandschappen in Nederland en Europa.

Hoe te citeren
RENES, Hans. Landschap als erfgoed. Historische processen en gelaagde landschappen. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 210-222, dec. 2011. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Renes210>. Datum gebruik: 22 mei 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.110.2011.6.106.
Gepubliceerd
2011-12-01