Schenkingen van gebrandschilderde glazen in Holland in de zestiende en zeventiende eeuw. Ontwikkelingen in argumenten en methoden

  • Simon Groenveld Leiden University, Humanities

Samenvatting

Donations of stained-glass windows in the Northern Netherlands are referred to from the end of the fourteenth century, which is late from an international point of view. Frequently, such windows were donated by notables: members of the clergy, royal and noble administrators. Their motivation was primarily spiritual: performing a good deed, which according to the teachings of the Church of Rome contributed to the eternal salvation of the donor’s soul. The representations on the windows, for the most part placed during new construction, extension or restoration, were predominantly spiritual and didactic in character. They stimulated the observer to piety and a devout lifestyle. Simultaneously, the donors, depicted in the bottom part of the windows, became the subject of the prayers of the observers. In addition to this motivation, windows were sometimes also donated in order to legitimize government power, to serve the donor’s economic interests, and gradually to increase the latter’s honour and reputation as well.

Since such windows in church buildings did not have any liturgical functions, the medieval windows inspired by Rome were not destroyed after the Reformation. On the contrary, glazing with such windows continued to be customary, notably in church buildings. However, the motivation changed, just as the composition of the donors’ group for that matter. Donation of windows was no longer a deed for the benefit of one’s own spiritual welfare, but in honour of the divine Word, preached from the pulpit. The windows kept a didactic meaning, but now linked with the New, Calvinist doctrine. Clergymen no longer acted as donors in this respect: formally, their role was played out. Now public authorities, as boards and as individuals, were becoming prominent. However, they also brought up different subjects. They emphasized the economic importance of their town, also among observers in other towns to which windows had been donated. Consequently, they especially donated windows to towns and villages in the region where their authority was large. Moreover, the public authorities stressed the legitimacy of their authority more frequently and stimulated civil obedience through representations on the windows – just as on organ shutters and paintings in public buildings. The phenomenon of pride in one’s town increasingly became an important factor. Still later also ‘ordinary’ citizens proved to be prepared to donate a window or part of a window, frequently also in honour of God.

After a fierce war on Dutch territory within the framework of the Dutch Revolt many church buildings had to be restored. This took considerable time, particularly because the Calvinist church grew only slowly. Therefore most glazing activity took place between 1605 and 1665. One region was earlier in doing so than another because of differences in pace. After 1665, when church congregations had reached their largest size and building of churches became less frequent, donations of windows were diminishing. This was also due to economic stagnation. Moreover, the wish for clearer windows and more light in churches gradually began to prevail. The windows were getting out of fashion, they also got more and more damaged, and in many places they disappeared. But not everywhere. They were and still are cherished and well-preserved in various places, not so much because of their functions as regards content anymore, but chiefly as cultural heritage.

Referenties

Corpus Vitrearum Netherlands. The stained-glass windows in the Sint Janskerk at Gouda, 3 dln., Amsterdam 1997-2002. Over de Goudse glazen ook: A.A.J. Rijksen, Gespiegeld in kerkeglas. Hollands leed en vreugd in de glasschil¬deringen van de St. Janskerk te Gouda, Lochem 1942/1947; W. Denslagen (red.), Gouda, de Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, Zwolle 2001, 123-138, 275-279: tekst door G.J. Vaandrager. Over De Ligne o.a.: G. Derveaux-Van Ussel en E. Lousse, 'Philippe, Graaf de Ligne, Baron van Wassenaar, Tolheer van Gouda. Een historische en kunsthistorische studie', Standen en Landen 25 (1961), 9-64; G.J. Vaandrager, 'Loterijen en glasschenkingen. Fundraising en sponsoring bij de herbouw van de Sint-Janskerk te Gouda na de brand van 1552', In de stad van die Goude 22 (1992), 146-172. De brief bevindt zich in het Streekarchief Hollands Midden te Gouda, Archief Sint Janskerk 1315-1573, inv. nr. 37. Transcripties ervan in: Rijksen 1942/1947, 36-37; Corpus Vitrearum II, 139; Dervaux-Van Ussel en Lousse 1961, 25, n. 1; Vaandrager 1992, 167.

H.F.K. van Nierop, Van ridders en regenten. De Hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw, Amsterdam 1984, 255-256.

S. Groenveld, 'Terug naar Wassenaar', in: H.M. Brokken (red.), Heren van Stand. Van Wassenaer 1200-2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis, Zoetermeer 2000, 82-154, aldaar 82-87.

B. Ibelings, 'De route "binnendunen". De scheepvaartroute langs de Goudse sluis en tol, de Wassenaerse Gouwesluis en de Spaarndammertol (13e tot 16e eeuw)', in: D.E.H. de Boer e.a. (red.), Vander rekeninghe, 's-Gravenhage 1998, 221-255, 323-339. Filips de Ligne was in 1544 door Karel V beleend met het tolrecht van de Gouwesluis. Vaandrager 1992 (noot 1), 171, n. 59. De aanhef van de brief noemt De Ligne 'edele welgeboerren ende mogende Heerre', en in de tekst wordt hij vier maal aangeduid als 'uwe M.'. In alle transcripties wordt deze afkorting opgelost als 'uwe Majesteit'. Dit is onjuist: met deze titel werd geen hoge edelman gesierd. De oplossing moet zijn als in de aanhef: 'uwe Mogende'.

Corpus Vitrearum II, 45, 86-89, 176-179; X. van Eck, 'Wat doet Philips de Ligne tussen de invaliden?', Tidinge van de Goude 14 (1996), 101-105; R.A. Bosch, De 72 Glazen van de Sint Janskerk in Gouda, Delft 2008, 100-103.


L. Noordegraaf, 'Macht en mecenaat. Gebrandschilderd glas in Hollandse kerken (16de-18de eeuw)', in: M. Bruggeman e.a. (red.), Mensen van de Nieuwe Tijd. Een liber amicorum voor A.Th. van Deursen, Amsterdam 1996, 307-323, aldaar 308; S. Brown en D. O'Connor, Glasschilders, Kam¬pen/Turnhout 1992, 31-45.

L. van Tongerloo, 'Glasschenkingen van de Utrechtse kapittels. Een verkenning in relatiekaders', Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 37 (1986), 151-173, aldaar 152; Corpus Vitrearum II, 68-69; C.J. Gonnet, 'Haarlemsche glasschrijvers', in: Feestbundel Dr. Abraham Bredius, Amsterdam 1915, 61-78, aldaar 66; S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg, De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en Consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650), Zutphen 2008, 37. Voor de rol van bisschoppen bij bouwactiviteiten: W.H. Vroom, Financing cathedral building in the Middle Ages. The generosity of the faithful, Amsterdam 2010, 86-98.

Corpus Vitrearum II, 30, 67-73, 156-160. Bosch 2008 (noot 5), 82-83; Zs. van Ruyven-Zeman, X. van Eck en H. A. van Dolder-De Wit, Het geheim van Gouda. De cartons van de Goudse Glazen, Zutphen 2002, 123-128. Het grote aantal schenkingen door bisschop George was een demonstratie van het bisschoppelijke gezag bij opkomende, fel door hem bestreden ketterij. Recent en samenvattend: Zs. van Ruyven-Zeman, Stained Glass in the Netherlands before 1795, 2 dln., Amsterdam 2011; vóór de Reformatie: I, 11-13.

Corpus Vitrearum II 28, 103-107, 195-198. Ook leden van de kapittels schonken wel als individu een glas. Zie o.a. glas 16, Jezus' eerste prediking, geschonken door Cornelis van Mierop, domproost en deken van het Utrechtse kapittel van Oudmunster. Ibidem II, 73-77, 161-164; Bosch 2008 (noot 5), 74-75. Vergelijk: E.T. Suir, 'Evert Zoudenbalch', Jaarboek Oud Utrecht 1977, 11, 21-22, 50. Over kapittels en de bouw van kathedralen: Vroom 2010 (noot 7), 31-68, 98-104, 115-118. Afbeeldingen van wapens bovenin het glas zie Bosch 2008, 105-121. Het betreft de glazen in de Van der Vormkapel, afkomstig van het klooster der Regulieren in Gouda.

Corpus Vitrearum II, 79-85, 169-175. Over dit venster: W. de Groot (red.), The Seventh Window. The King's Window donated by Philip II and Mary Tudor to Sint Janskerk in Gouda (1557), Hilversum 2005. Algemeen: Vroom 2010 (noot 7), 122-133; Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8) I, 266.

C.F.C.G. Boissevain en C.M. Nigten, De Grote- of Sint Jacobskerk van 's-Gravenhage, Zwolle/'s-Gravenhage 1987, 34; H.E. van Gelder, 'Het Keizer-Karel-raam in de Groote Kerk te 's-Gravenhage', Bulletin KNOB 9 (1916), 47-50; H.E. van Gelder, 'De zestiende-eeuwsche glasschilderingen in de Haagsche Sint-Jacobskerk', Oud-Holland 36 (1918), 1-41; De Groot (red.) 2005 (noot 10), 131-168. De klok kwam gereed in 1541 (H.B. van der Weel, 'Keizer Karel V (1500/2000) en de Haagse klokken', Klok en Klepel 69 (1999), 2-8). Het glas, vervaardigd door Dirck Crabeth, in 1547. In de Haagse hofkapel was een raam met de graven Filips de Goede en Karel de Stoute van Bourgondië, A. van der Boom, Glasschilderkunst in Nederland, ’s-Gravenhage 1940, 139.

L. Noordegraaf, 'Gebrandschilderde glazen in de Alkmaarse Sint Laurens', in: J. Drewes e.a. (red.), Glans en glorie van de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens, Hilversum 1996, 75-89, aldaar 77-78; Vroom 2010 (noot 7), 412-416.

Corpus Vitrearum III, 66-69, 116-121; Vergelijk: II, 77-79, 165-168: glas 18. Bosch 2008 (noot 5), 66-67. Vroom 2010 (noot 7), 155-161.

Over activiteiten van burgerlijke autoriteiten – en over vele weigeringen: Vroom 2010 (noot 7), 134-139. Voor bestuurderen van een hoogheemraadschap o.m.: D.P. Oosterbaan, De oude Kerk te Delft gedurende de Middeleeuwen, 's-Gravenhage 1973, 77: een glas van Delfland uit 1565.

Gonnet 1915 (noot 7), 67; Van der Boom 1940 (noot 11), 135. Vergelijk: de Goudse glazen 30, Jona en de Walvis (1565), mogelijk van het gilde der viskopers (Corpus Vitrearum II, 107-109, 199-200; Bosch 2008 (noot 5), 56-57), en 31, Bileam en de Sprekende Ezelin (voor 1572), waarschijnlijk van de beenhouwers (Corpus Vitrearum II, 132-133, 214-215, Bosch 2008, 58-59).

Van Gelder 1918 (noot 11), 29-31.

Gonnet 1915 (noot 7), 69-72 met een aantal gevallen. Aert van der Goes stamde uit een geslacht van juristen, zijn vader en grootvader waren landsadvocaat van Holland, hijzelf advocaat van de Hollandse Staten bij de Grote Raad van Mechelen, J.W. Koopmans, De Staten van Holland en de Opstand. De ontwikkeling van hun functies en organisatie in de periode 1544-1588, 's-Gravenhage 1990, 101, 113, 251, 275; J.D. Tracy, Holland under Habsburg Rule 1506-1566. The Formation of a Body Politic, Berkeley/Los Ange¬les/Oxford 1990, 48, 121, 145, 153, 154, 169, 174, 197, 235.

R.R. Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ca. 1500 tot ca. 1580, Utrecht/Antwerpen 1954, 427-431; Vroom 2010 (noot 7), 31-68, 408-412.

Vaandrager 1992 (noot 1); A. Huisman en J. Koppenol, 'Daer compt de Lotery met trommels en trompetten!' Loterijen in de Nederlanden tot 1726, Hilversum 1991, 7-34; Vroom 2010 (noot 7), 414 en 620 n. 610.

Corpus Vitrearum II, 21-36. Utrechtenaren financierden de glazen 11, 12, 14, 15 en 16. Hiërarchie van de schenkers is in de plaatsing van hun glazen niet aanwijsbaar. Een soortgelijk programma heeft bestaan voor het herstelde klooster Stein bij Gouda: Ibidem II, 62-63, n. 36; I, 106-109. Vergelijk: Vaandrager 1992 (noot 1), 160; Van Tongerloo 1986 (noot 7), 152. Overigens suggereerde mevrouw Van Tongerloo een jaar later een mogelijke rol van Nicolaes Ruysch, vicaris-officiaal van de proost-aartsdiaken van Oudmunster: L. van Tongerloo, Glasschenkingen in de Sint-Janskerk, Gouda 1987, 15; De Groot (red.) 2005 (noot 10), 72, 137-138, 141-142, 144 n. 44.

De Groot (red.) 2005 (noot 10), 137, 141-142.


P.J. Glasz, 'Voormalige glasschilderingen zoo te Alkmaar als door Alkmaar elders geschonken', Oud-Holland 26 (1908), 69-90, aldaar 79; C.W. Bruinvis, 'De bouw en versiering der St. Laurens- of Groote Kerk te Alkmaar', Bijdragen voor de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem 28 (1904), 192-236, aldaar 211. Noordegraaf 1996 (noot 12), 79, 83, 86 n. 27.

De Groot (red.) 2005 (noot 10), 138, 145-151.


Zie: Streekarchief Hollands Midden, Archief Sint Jans Kerk, inv. nr. 37: Contract tussen de kerkmeesters van Gouda en Wouter Crabeth, 22 september 1663 (chirograaf). De kerkmeesters geven de opdracht voor glas 12, het kapittel van Oudmunster te Utrecht betaalt de kosten. De afbeelding moet zijn 'met sulcker Historien als daer eyscht na wtwysen die rolle vanden glasen inden voirss trans aen mencander vervolgende', dus overeenkomstig het door de kerkmeesters opgestelde programma. Op dezelfde manier werd Crabeth in 1563 betaald voor het glas van Margaretha van Parma: Ibidem, door Crabeth ondertekende kwitantie. Vergelijk: Rijksen 1942 (noot 1), 63-64; Bosch 2008 (noot 5), 72-75, 98-99.


Post 1954 (noot 18), 81-86. Van Tongerloo 1986 (noot 7), 159-160. A. de Groot, 'Het Utrechtse Domkapittel als sponsor van Hollandse kerken: glasschenkingen aan kerken te Medemblik, Hagestein en Everdingen', Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 37 (1973), 3-15.

Van Tongerloo 1986 (noot 7), 152; Noordegraaf 1996 I (noot 6), 309-310; Vroom 2010 (noot 7), 122.

G.J. Vaandrager, Het gebrandschilderde kerkglas in Holland 1572-1800. Een inventarisatie, Gouda 2003 (Doctoraalscriptie Universiteit Leiden, deel I), 15; A.A. Arkenbout, 'De Heren van Voorne als opdrachtgevers van 15de-eeuwse glasschil¬derkunst', Rotterdams Jaarboekje 5 (1967), 121-130; Van Tongerloo 1986 (noot 7), 165; Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8) I, 13.

Gonnet 1915 (noot 7). Vergelijk: Glasz 1908 (noot 22).

Vergelijk: Brown en O'Connor 1992 (noot 6), 31-45: dit gold ook voor het buitenland.

Post 1954 (noot 18), 473-484; Vroom 2010 (noot 7), 165-209; S. Groenveld e.a., Wezen en boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kinderhuizen, Hilversum 1997, 19-30. De werken van barmhartigheid werd ontleend aan Mattheus 25: 35-40, waar slechts zes werken worden genoemd; de kerk voegde het begraven der doden toe.

Noordegraaf 1996a (noot 6), 80; Van Tongerloo 1986 (noot 7), 152, 158.

Gonnet 1915 (noot 7), 65; Noordegraaf 1996b (noot 12), 77; Noordegraaf 1996a (noot 6), 312-313. Enkele soortgelijke gevallen: G.N. van der Ree-Scholten (red.), Deugd boven geweld. Een geschiedenis van Haarlem, 1245-1995, Hilversum 1995, 27, 119. C.A. van Swigchem, T. Brouwer en W. van Os, Een Huis voor het Woord. Het protestantse kerkinterieur in Nederland tot 1900, 's-Gravenhage/Zeist 1984, 129.

Johannes 14: 9. Voor teksten in de Goudse glazen: H.A. van Dolder-De Wit, Teksten in de Goudse Glazen, Gouda 1987, 5-7; De Groot (red.) 2005 (noot 10), 131-168.

Filips II wordt aangeduid als 'Illustrissimus Philippus, D[omini] Caroli V invictissimi Caesaris Augusti filius', de meest doorluchtige Filips, zoon van de onoverwinnelijke Heer Karel V, de verheven keizer, De Groot (red.) 2005 (noot 10), 122.

Corpus Vitrearum II, 36-40, 79-85, vergelijk: 97-103. Het bijbelcitaat in Mattheüs 12:42. De Groot (red.) 2005 (noot 10), 169-188.

Van Tongerloo 1986 (noot 7), 162-167.

Van Tongerloo 1986 (noot 7), 161; Vroom 2010 (noot 7), 340-341, 344-352, vooral 351.

Glasz 1908 (noot 22), 70; Van Gelder 1918 (noot 11), 29-31.

Gonnet 1915 (noot 7), 69.

Gonnet 1915 (noot 7), 72-74. Over Haarlemse schenkingen ook: S. Groenveld, Haarlemse glasraamschenkin¬gen. Stedelof tussen dominee, regent en koopman, Gouda 1996. W. Loos, 'Willem Thybout en een Haarlemse legende op Gouds glas, 1596', Spiegel Historiael 17 (1982) 213-220. Vergelijk: Zs. van Ruyven-Zeman, Kleurrijk verleden. Edam. De glazen van de Grote kerk. Monument van kunst en geschiedenis, Edam/Volendam 1994, 61.

Noordegraaf 1996b (noot 12), 86.

Groenveld 1996 (noot 40), 4-10 met literatuur, waaronder K. Levy-van Halm e.a., De trots van Haarlem. Promotie van een stad in kunst en cultuur, Haarlem 1995; E. Verbaan, De woonplaats van de faam. Grondslagen van de stadsbeschrijving in de zeventiende-eeuwse Republiek, Hilversum 2011, 85-126.

S. Groenveld, 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, 's-Gravenhage 2001, 23-34; G.J. Vaandrager, De Goudse glasschenkingen aan kerken 1572-1700. Spiegels van lokale historie, Gouda 2003 (Doctoraalscriptie Universiteit Leiden, deel II), passim. Samenvatting in: G.J. Vaandrager, 'Goudse glasschenkingen aan kerken in Holland, 1572-1700. Kleurrijke politieke manifestaties uit de tijd van de Republiek', Tidinge van Die Goude 23 (2005), 110-136; G.J. Vaandrager, 'Glasraamschenkingen van de stad Gouda aan Hollandse kerken in de eerste eeuw van de Republiek', Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 64 (2007), 1-2; G.J. Vaandrager, 'De glasraamschenkingen van de stad Gouda aan kerken in Holland in de eerste eeuw van de Republiek: Op de weg naar democratie', Het dorp Waddinxveen. Tijdschrift van het Historisch Genootschap Waddinxveen 16 (2008), 75-103; G.J. Vaandrager, 'De glasraamschenkingen van de Stad Gouda aan kerken in Holland – Spiegels van lokale historie (in 't bijzonder van Moerkapelle)', Verleden Tijdschrift Oud Zevenhuizen-Moerkapelle 96 (maart 2009), 22-36.

Vaandrager 2003b (noot 43), 163-164; Vaandrager 2005 (noot 43), 112-116; Vaandrager 2009 (noot 43), 36; Groenveld 1996 (noot 40), 31, 41-48.

Ten onrechte noemt mevrouw Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8) I, 14-15, de Staten-Generaal de opvolger van de Habsburgse soeverein. Bijgevolg concludeert zij, dat deze vermeende nieuwe soeverein minder genereus was dan de Habsburgers. Als men kijkt naar schenkingen door nieuwe soevereinen - de gewestelijke Statencolleges en hun dagelijkse besturen – dan blijken die voortdurend actief. In het verlengde hiervan noemt de schrijfster de stadhouders foutief 'the representative of the central authorities'. Dit alles, ook op I, 37 n. 67, heeft consequenties voor haar behandeling van glasraamschenkingen.


Corpus Vitrearum III, 187-198, 258-275. Bosch 2008 (noot 5), 130-133, 140-141; Van Ruyven-Zeman 1994 (noot 40), 25, 47-49, 53-57.

Groenveld 1996 (noot 40), 21-23; P. Mens, De Rijper Glazen, De Rijp 2000, passim. Op dezelfde wijze waren in Gouda tussen 1530 en 1560 bovenin het koor de zogenaamde Apostelglazen aangebracht volgens de gebruikelijke hiërarchie: Christus in het midden; rechts van hem Petrus met zijn sleutel, links diens broer Andreas met zijn kruis, verder naar rechts volgt Johannes enzovoort, Bosch 2008 (noot 5), 28-33.

Vaandrager 2003a (noot 26), 46; Van Swigchem e.a. 1984 (noot 32).

Vaandrager 2003a (noot 26), 72-73; J.L.P.M. Krol, 'Historie van glasschilderkunst in Heemstede en Bennebroek', Oud-Heemstede-Bennebroek 93 (1997) 150-158.

Vaandrager 2003a (noot 26), 26; J. Terwen, B. van der Meer e.a., De kerk van Oudshoorn, Alphen aan den Rijn 1980; D.C. Peters, De zeventien gebrandschilderde glazen in de Oudshoornse kerk, Alphen aan den Rijn 2003, 24-27, 78-91. Over De Vlaming: Joh. E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, 2 dln., Haarlem 1903-1905, 505-506.

A.C. Duke, 'The Reformation of the Backwoods: the Struggle for a Calvinist and Presbyterian Church Order in the Countryside of South Holland and Utrecht before 1620', in: A.C. Duke, Reformation and Revolt in the Low Countries, Londen/Ronceverte 1990, 227-268; S. Groenveld, Huisgenoten des geloofs. Was de samenleving in de Republiek der Verenigde Nederlanden verzuild? Hilver¬sum 1995, 14-21.

Vaandrager 2003b (noot 43), 12-17, 88-92, 108-115, 165, en passim; Vaandrager 2009 (noot 43), 225-226.

Zie hiervoor figuur 1.


Noordegraaf 1996a (noot 6), 315; A.G. van der Steur, 'Johan van Duvenvoirde en Woude (1547-1610), heer van Warmond, admiraal van Holland', Hollandse Studiën 8 (Dordrecht 1975) 179-273; Groenveld 2000 (noot 3), 101-104, 116-118, 122-126, 135-142, 144-148; W.C.H. Machen, Warmond voorheen en thans, Leiden 1927, 53-54.

Ambachten kwamen vooral in de verkoop wegens de getalsmatige terugloop van de Hollandse adel: Van Nierop 1984 (noot 2), 55-80. Oudshoorn was, met de aangrenzende Snephoek, in 1627 aangekocht.

Groenveld 2000 (noot 3), 92-94; S. Groenveld, 'Stijgende lagere adel. Van Duvenvoirde naar Wassenaer (1523-1665)', in: G. Marnef en R. Vermeir (red.), Adel en macht. Politiek, cultuur, economie, 57-74; J. de Jong, 'De regenten, de Republiek en het aristocratiseringsproces: een terugblik', in: G. Marnef en R. Vermeir (red.), Adel en macht. Politiek, cultuur, economie, 5-16.

J.B. den Hertog, 'Terselver tijt Begostmê hier te Predicken'. De ontstaansgeschiedenis van de dorpskerk te Bloemendaal en de betekenis van de gebrandschilderde ramen, Alphen aan den Rijn 2011, 7-10, 61-63.


J. de Vries en A.M. van der Woude, Nederland 1500-1815. De eerste ronde van moderne economische groei, Amsterdam 1995, 701-762.

Noordegraaf 1996b (noot 12), 85-86. Dit systeem lijkt op de 'partenrederij' in schepen of molens: individuele personen kochten slechts een 'part' - een aandeel - daarin.

Vaandrager 2003 II, 185-186; Vaandrager 2009 (noot 43), 26-29; Vaandrager 2008 (noot 43), 88, 91-94; W. Paul (en C. Leemans), 'Beschrijving van vroegere vensters in de kerk van Zevenhuizen', Verleden Tijdschrift 25 (2009) 12-21, met een beschrijving uit 1867 van de inmiddels verloren gegane glazen, die grotendeels tussen 1701 en 1707 waren geschonken door heel wat (oud)ambachtsbewaarders, (oud)schepenen en (oud)diakenen aan, onder andere een boer, lakenverkoper, grutter, bakker, schilder-glazenmaker, turfschipper, biersteker, scheepmaker.

Vaandrager 2009 (noot 43), 33; Vaandrager 2008 (noot 43), 83; Groenveld 1996 (noot 40), 41-48 met prijzen in de Haarlemse, Alkmaarse en Hoornse regio's. Inzake blank glas o.a. Den Hertog 2011 (noot 57), 56.


A.M. van der Woude, Het Noorderkwartier, 3 dln., Wageningen 1972, II, 608-611 en passim; De Vries en Van der Woude 1995 (noot 58), 763-782.

J.C. Kerkmeijer, 'Gebrandschilderde glazen door de stad Hoorn aan verschillende kerken in Noord-Holland geschonken', West-Friesland's Oud en Nieuw 17 (1944), 55-62, aldaar 61; Glasz 1908 (noot 22), 84 en 87.

L.J. van Apeldoorn, 'Het voortbestaan der parochies na de Reformatie. Bijdrage tot de geschiedenis van het recht omtrent de kerkelijke goederen en de armengoederen', in: Christendom en Historie, Kampen 1931, 22-63.

S. Groenveld en J.A.F. de Jongste, 'Bestuur en beleid', in: R.C.J. van Maanen (red.), Leiden. De geschiede¬nis van een Hollandse stad, 4 dln., Leiden 2002-2004, II, 54-83, aldaar 61.

Bijvoorbeeld: Vaandrager 2008 (noot 43), 83-84, 103; Vaandrager 2009 (noot 43), 24, 26.


S. Groenveld, '"For the Benefit of the Poor": Social Assistance in Amsterdam', in: P. van Kessel en E. Schulte (red.), Rome - Amsterdam. Two Growing Cities in Seventeenth-Century Europe, Amsterdam 1997, 192-208, aldaar 194-196. De architec¬tuur van nieuwe weeshuizen volgde die van kloosters: Groenveld 1997 (noot 30), 134-151.

Zie: Van Swigchem e.a. 1984 (noot 32), passim.

Exodus 20: 4-6. Vergelijk: I.M. Veldman, 'Calvinisme en beeldende kunst in de zeventiende eeuw'. In: Bruggeman e.a. (red.) 1996 (noot 6), 297-306.

Van der Boom 1940 (noot 11), 170; A.A.J. Rijksen, 'Veranderingen in de zeventiende eeuw krachtens de gereformeerde opvattingen in drie van de Goudse Glazen', in: Zuid-Hollandse Studiën, Voorburg 1950, 38-52; Bosch 2008 (noot 5), 80; H. van de Waal, Drie eeuwen vaderlandsche geschied-uitbeelding 1500-1800. Een iconologische studie, 2dln., 's-Gravenhage 1952, 244-245; Brown en O'Connor 1992 (noot 6), 68-70. Loos 1982 (noot 40), 214. In Alkmaar werden bij beeldenstormen ook glazen vernield: Noordegraaf 1996b (noot 12), 80; Glasz 1908 (noot 22), 79; Veldman 1996 (noot 69), 301-304.

Corpus Vitrearum I, 21-98.

Mens 2000 (noot 47), 28, 34-40, 110-117. Vergelijk in Gouda: glas 27, De farizeeër en de tollenaar in de tempel, en glas 28, Jezus en de overspelige vrouw; Corpus Vitrearum III, 215-222, 227-231, 306-315, 326-335; Bosch 2008 (noot 5), 148-151. In Valkenburg maakte Isaac Claesz. van Swanenburg in opdracht van Leiden tussen 1608 en 1611 een glas met 'd'historie Sauli daer hij van de peerde wert geslagen', R.E.O. Ekkart, Isaac Claesz. van Swanenburg 1537-1614. Leids schilder en burgemeester, Zwolle 1998, 112. Vergelijk: Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8) I, 274.

C.C.M. Kampf-Rekelhof (red.), 'Ter eeren vanden godts diens alhier dit glas gegeven'. De Grote Kerk van Schermerhorn II, De Rijp 1998, 29-33; Glasz 1908 (noot 22), 86.

Een uitzonderlijk geval is het door prins Maurits aan het klooster St. Agatha te Oeffelt bij Cuyk in 1612 geschonken glas, waarop de prins in middeleeuwse devote, geknielde houding is afgebeeld. Dit glas is thans in de kapel van het Amsterdamse Rijksmuseum. K. Zandvliet (red.), Maurits, Prins van Oranje, Amsterdam/Zwolle 2000, 138-141; Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8), I, 15-16.


Mens 2000 (noot 47), 42-49; P.C.J. van Dael, 'De glazen in de Hervormde Kerk in De Rijp', Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 43 (1996), 3-13, aldaar 8. Hetzelfde in Edam glas 25, geschonken door de magistraat van Edam, Van Ruyven-Zeman 1994 (noot 40), 67, 82-83; Groenveld 1996 (noot 40), 13. Vergelijk: Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8) I, 274-275.

Bosch 2008 (noot 5), 142-151, 94-97, 138-139, 134-137.


Van Swigchem e.a. 1984 (noot 32), 29-33.

W. Bogtman, 'Zeven Kerkramen van Mr. Isaac Nicolay van Swanenburgh', Oud-Holland 55 (1938) 115-128, aldaar 119.

Vaandrager 2003b (noot 43), 122. Vergelijk: Groenveld 1996 (noot 40), 16-17.

Terwen, Van der Meer e.a. 1980 (noot 50), 152; Peters 2003 (noot 50), 142-145. Het verhaal van Dorcas in Handelingen 9: 36-42. Vergelijk over fraaiheid van een kerkgebouw: Van Swigchem e.a. 1984 (noot 32), 4-5.

Van Swigchem e.a. 1984 (noot 32), 252-253, ook 33, 145. Vergelijk: Jacob Cats, Alle de Wercken, Amsterdam 1655, 159: 'in den Hemel selfs wert hier van boeck gehouwen'. En bij doopsgezinden: S. Groenveld e.a., 'Daar de orangie-appel in de gevel staat'. In en om het weeshuis der doopsgezinde collegianten 1675-1975, Amsterdam 1975, 38: '...God geeft het weer/En nog veel meer/Hier, en na desen' (1675).


Corpus Vitrearum III, 222-227, 231-238, 316-325, 336-347; Ekkart 1998 (noot 72), 95-104; Van Dolder-De Wit 1987 (noot 33), 12-13; Bosch 2008 (noot 5), 142-147. Het verhaal van de bevrijding van Samaria in 2 Koningen 7.

Glasz 1908 (noot 22), 78-81.

J. Wagenaar, Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen... II, Amsterdam 1765, 101; B. Bijtelaar, 'De Oude Kerk'. In: A.E. d'Ailly, Historische gids van Amsterdam. Bew. H.F. Wijnman, Amsterdam 1863, 17-24, aldaar 22;¬¬ A. de Groot, 'Het Vre¬desglas in de Oude Kerk te Amsterdam', Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 47 (1998), 21-25; W. Bogtman, Nederlandsche glasschil¬ders, Amsterdam 1947, 76-79; Vaandrager 2003a (noot 26), 52, 66-67. Het verdwenen glas in de Nieuwe Kerk toonde eveneens de oorlogsgod, geboeid liggend aan de voeten van de Vrede. Mens 2000 (noot 47), 154-157 noemt ten onrechte de centrale vrouwfiguur de Overwinning. Vergelijk: Van Ruyven-Zeman 2011 (noot 8) I, 269-270: Slag op de Zuiderzee (1573) in Hoorn–Oostkerk (1619), Schermerhorn (1636), Bloemendaal (1637); Slag bij Gibraltar (1607) in Amsterdam–Oude Kerk (1611), Hoorn–Oostkerk (1620).

Corpus Vitrearum III, 192-198 (1), 198-201 (29), 201-208 (3); Bosch 2008 (noot 5), 130-133, 138-139, 152-153; A.J. Gelderblom, In Hollands tuin (Gouda 1995); M. van Gelderen, Het Vrijheidsideaal van de Nederlandse Opstand, Gouda 1995.

Kampf-Rekelhof (red.) 1998 (noot 73), 34-36.

Vergelijk: A. Blankert, Kunst als regeringszaak in Amsterdam in de 17e eeuw, Amsterdam 1975.

Rijksen 1942/1947 (noot 1), 229; Ekkart 1998 (noot 72), 96; Vaandrager 2005 (noot 43), 120: ‘Omdat die van der Goude de ingesetenen deser stede [Leiden] dagelicx waeren gratificeerende int openen vande groote sluysen buyten der Goude gelegen ten geryeve van de schepen en pincken tot Leyden thuys hoorende’. Ook 135 n. 31.

Mens 2000 (noot 47), 42-49, 74-77, 82-85; Kampf-Rekelhof 1998 (noot 71), 49-55.

C.M. Lesger, Hoorn als stedelijk knooppunt. Stedensystemen tijdens de late middel¬eeu¬wen en de vroegmoderne tijd, Hilversum 1990. Vergelijk: D. Aten, 'Als het gewelt comt...' Politiek en economie in Holland benoorden het IJ 1500-1800, Hilversum 1995; L. Noordegraaf, 'Domestic Trade and Domestic Trade Conflicts in the Low Countries: Autonomy, Centralism and State-formation in the Pre-industrial Era', in: S. Groenveld en M. Wintle (red.), Britain and the Netherlands X: State and Trade, Zutphen 1992, 12-27.

Groenveld 1996 (noot 40), 29-32.

Vaandrager 2005 (noot 43), 112-117.

Groenveld 1996 (noot 40), 25-40.

Van Ruyven-Zeman 1994 (noot 40), 54, 61-62; Ekkart 1998 (noot 72), 96-106; Noordegraaf 1996a (noot 6), 319; Vaandrager 2008 (noot 43), 88.

Glasz 1908 (noot 22), 74-76.

Veldman 1996 (noot 69), 299-300; Bosch 2008 (noot 5), 130-139, 142-147.

W. Janse, De grootsheid van de ootmoed, de kleinheid van de hoogmored. Godsdienstig leven in Holland gespiegeld in drie Goudse Glazen van na de hervorming (1595-1601), Gouda 1998, 14, 20; Bosch 2008 (noot 5), 148-153.

De Groot 1973 (noot 25), 10-13.


Groenveld 1996 (noot 40), 24; Vaandrager 2003a (noot 26) heeft geïnventariseerd, welke glazen er geweest moeten zijn en welke nog bestaan.
Hoe te citeren
GROENVELD, Simon. Schenkingen van gebrandschilderde glazen in Holland in de zestiende en zeventiende eeuw. Ontwikkelingen in argumenten en methoden. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 142-157, sep. 2012. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Groenveld142>. Datum gebruik: 22 mei 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.111.2012.3.90.
Gepubliceerd
2012-09-01