What’s in a name? Nieuw licht op Moulins hofstede, de vroegste aanleg van buitenplaats Elswout te Overveen

  • Inger Groeneveld

Samenvatting

Elswout Manor in the village of Overveen near Haarlem, is of great art-historical importance, particularly to the history of Dutch country estates and garden architecture. Although it was not until 1660, during its second period of habitation, that Elswout became renowned for its history as well as its striking Dutch classicist architecture, attributed to Jacob van Campen, the manor dates from 1633-1635.

This article deals with the overlooked first period (1633-1654) of Moulin’s Manor, as it was known then, and with the founder Carl du Moulin (1586/1588 to approximately 1667), a wealthy tradesman from Amsterdam, who had formerly lived in Russia, of whom nothing substantial was known except a rumour and the fact that he went bankrupt in 1654. At that time it was assumed that Du Moulin left his manor in an unfinished condition, only to be completed by the next owner, Gabriel Marselis, Commissioner of the King of Denmark. Archival evidence has now shown that Carl du Moulin was patron of the painter-architect Pieter Post, who was already supporting him financially in the spring of 1638. Consequently, it is very likely that Post at least played a part in the design of the original plan, probably as an assistant to Jacob van Campen. The land surveyor and mathematician Pieter Wils may also have been involved in the design and layout of the house and garden.

Apart from presenting new facts about the first owner of Moulin’s Manor, the presumable original appearance is reconstructed and reviewed on the basis of an estate map (1642), 17th century paintings, a travellers’ account (1663) and architectural drawings (1805). The rigid cross-symmetrical layout of Moulin’s Manor, showing similarities to Scamozzi’s published design of Villa Molin, may have symbolized the family name.

Referenties

Gerrit Adriaensz. Berckheyde (Haarlem 1638 - Haarlem 1698), Huis Elswout in Overveen, gezien vanuit het noordwesten, circa 1670, paneel 52 x 80 cm, Frans Halsmuseum, inv. nr. os 75-315 (langdurig bruikleen ICN); Jan van der Heyden (Gorinchem 1637 - Amsterdam 1712), Huis Elswout in Overveen vanuit het zuidoosten, circa 1663, paneel 39,5 x 34 cm, Frans Halsmuseum, inv. nr. os 74-352; Jan Wouwerman (Haarlem 1629 - Haarlem 1666), Huis Elswout in Overveen vanuit het noordoosten, gesigneerd J.W., circa 1655, particuliere collectie.
Zie: N. Köhler (red.), Painting in Haarlem 1500-1850. The collection of the Frans Hals Museum, Amsterdam 2006, cat. nr. 21, 388 en cat. nr. 229, 518.

Carl/Carel/Caerlo/Charles (du/de) Moulin/Molyn/Moulyn/Molin ondertekende akten zelf consequent met Carl du Moulin, vandaar dat deze naam aangehouden wordt. De enige informatie over zijn leeftijd en ouderdom, komt uit notariële akten. Carl du Moulin was 25 jaar oud in 1613. Stadsarchief Amsterdam (SAA), NA197, fol. 518v, notaris Jan Franssen Bruijningh, 23 maart 1613. Een laatste teken van leven betrof het overdragen van een lijfrente door Du Moulin op zijn stiefkinderen, Noord Hollands Archief (NHA), Oud Notarieel Archief Haarlem (ONA Haarlem), 14, 12 juni 1667.

C.J. Gonnet, ‘Elswout’, Jaarboek Haerlem (1933), 42-46; W. Kuyper, Dutch Classicist Architecture. A Survey of Dutch Architecture, Gardens and Anglo-Dutch Architectural Relations from 1625 to 1700, Delft 1980, 161; C.S. Oldenburger-Ebbers, A.M. Backer en E. Blok, Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, Deel West: Noord-Holland, Zuid-Holland, Rotterdam 1998, 236-237; H.M.J. Tromp, Elswout te Overveen, deel 12 uit de serie Bijdragen tot het bronnenonderzoek naar de ontwikkeling van Nederlandse historische tuinen, parken en buitenplaatsen, Zeist 1983, 5; J.S.M. Vrijland en C.W.D. Vrijland, Elswout C.A., Haarlem 1939, 1; H.W.M.van der Wijck, De Nederlandse buitenplaats. Aspecten van ontwikkeling, bescherming en herstel, Alphen aan den Rijn 1982, 41.
E.A. de Jong is voorzichtiger met de vroegste geschiedenis van Elswout, maar gaat ook uit van een ‘voltooiing’ door de volgende eigenaar Gabriël Marselis. J.D. Hunt en E.A. de Jong (red.), ‘The Anglo-Dutch Garden in the Age of William and Mary/De Gouden Eeuw van de Hollandse Tuinkunst’, Journal of Garden History 8 (1988) 2&3, 116; E.A. de Jong en M. Dominicus-Van Soest, Aardse Paradijzen I. De tuin in de Nederlandse kunst 15de tot 18de eeuw, Gent 1996, 160 en cat. 28a-b.

Gonnet 1933 (noot 3), 43-45. Ook dankzij mondelinge mededelingen van C.J. Gonnet is al decennia eerder het verhaal de wereld in gebracht: H.C. Rogge, ‘Elswout in Zuid-Kennemerland’, Eigen Haard 30 (1904) 812 en noot 2.

Voor een populaire variant van dit stichtingsverhaal zie tevens: H.B., ‘Gestalten uit Elswouts verleden’, Bijeenkomst ter Gelegenheid van de opening van ‘Elswout’ als schoolgebouw van het Jac. P. Thijsse Montessori-lyceum te Overveen, woensdag 5 januari 1949, Wormerveer 1949.

R. Meischke, ‘De vroegste werken van Jacob van Campen', Bulletin KNOB 65 (1966), 143.

Zie voor de Russische besoignes van Carl du Moulin: E. Wijnroks, Handel tussen Rusland en de Nederlanden 1560-1640, Hilversum 2003, 267-273, 283-286, 290-291, 297, 314, 321, 324-325, 340, 347, 350, 364-365, 369, 373. Zie tevens: J. Scheltema, Rusland en de Nederlanden: beschouwd in derzelver wederkeerige betrekkingen, Amsterdam 1817, 117, 133, 212, 174, 365.

Er zijn geen Amsterdamse lutherse dopen gedocumenteerd van vóór 1591. Eventueel is Carl du Moulin in Hamburg of een andere Noordduitse stad geboren, maar ook in dat geval wel vóór 1613 naar Amsterdam gekomen. Ook zijn er geen gegevens bewaard gebleven over Amsterdamse lutherse huwelijken in de jaren 1622-1632. Haarlemse doop-, trouw- en lidmaatgegevens van lutheranen dateren pas vanaf 1645. Een huwelijk te Hamburg kan gezien de herkomst van zijn latere echtgenote niet worden uitgesloten.

Tot en met mei 1630 was Carl du Moulin (royaal) contribuant van de Lutherse kerk te Amsterdam geweest. SAA, Evangelisch-Lutherse gemeente te Amsterdam, kerkenraad en ouderlingen, inv. nr. 827, fol. 169 (november 1627) Carel du Molyn f 15,--; fol. 176 (mei 1628) Carlus Mollin f 25,--; fol. 183 (1 november 1629) Carlo de Molin f. 37,10,-; fol. 206 (mei 1630) Carle Molyn f 18,15,-. Vanaf november 1630 wordt Carl du Moulin niet meer vermeld onder de contribuanten.

Over het potasmonopolie zie: J. Kotilaine, Russia's foreign trade and economic expansion in the seventeenth century, Leiden 2005, 183; M. Solomon Arel, ‘The Arkhangel’sk trade, empty state coffers, and the drive to modernize. State monopolization of Russian export commodities under Mikhial Fedorovich’, in; J. Kotilaine en M. Poe (red.), Modernizing Moskovy: reform and social change in seventeenth-century Russia, London/New York 2004, 195-197.

Wijnroks 2003 (noot 7), 286.

Scheltema 1817 (noot 7), 173-174; Regionaal Archief Leiden (RAL), Notarissen ter Standplaats Leiden, inv. nr. 432, fol. 124, notaris Kaerl Outerman, 25 juni 1639. De twintigjarige ‘Valentinus Bilius, Moscovita’ werd op 29 september 1636 als student medicijnen ingeschreven.

Margrita Rubbens was wellicht een dochter of zuster van Hans Rubbens/Ribbens, koopman te Hamburg, die in de zomer van 1635 een koperen ketel naar Amsterdam zond, en aldaar op verzoek van Jacob Verpoorten werd geïnspecteerd door Lodewijck Borremans en diens zwager Hendrick Stalpaert. SAA, Notarissen ter Standplaats Amsterdam (NA) 597, fol. 66, notaris Lamberti, 17 augustus 1635. Borremans was een neefje van Margrita Rubbens. Elisabeth Rubbens weduwe Davidt Vermeulen, mogelijk een zuster van Margrita Rubbens, was op 2 juli 1654 te Amsterdam doopgetuige bij de lutherse doop van een kleinkind van Margrita Rubbens, Frederik Wilhelm Dögen.

‘Belending: ten noorden de naergelaten weduwe van doctor Bugge, ten oosten & suijden de [wetmatige?] erfgenamen van meester Gijsbert binder [...] ende ten westen de voorn. erfgenamen van mr. Gijsbert’. Noord-Hollands Archief (NHA), Oud-rechterlijke en weeskamerarchieven (ORWA), inv. nr. 1066, fol. 150v, 16 maart 1633.

NHA, ORWA, inv. nr. 1066, fol. 150v, 16 maart 1633; NHA, Elswout, inv. nr. 1; NHA, ORWA, inv. nr. 1066, fol. 170v, 9 januari 1634 [doorgheaald: 20 november 1633]; NHA, ORWA, inv. nr. 1066, fol. 173v, 9 januari 1634.

J. van Varel Pz, Kaerte van de Heerleikheid Breederoode met desselfs aanpalende dorpen rondsom Haerlem gelegen[...], 1775, 47 x 67 cm, manuscriptkaart (officiële kopie door J. van Varel uit 1775 van een kaart door Pieter Wils uit 1635), Universiteit Leiden, Prentenkabinet, COLLBN Port 29 N 25.
Op de kaart uit 1636 staat de landmetersopmerking ‘tot Moulyns woning 150 roe’, bij een stippellijn die, gelegd naast de kaart van Wils uit 1642, duidelijk wijst in de richting van Moulins hofstede. Deze opmerking dateert gezien de penvoering onomstotelijk uit 1636. NHA, Kaartboek van de landerijen [van het Heilige Geesthuis], getekend in 1636 door de landmeter Pieter Wils en bijgehouden tot 1732, Kennemer Atlas, nr. 51-999024 M, fol. 28, Overveen 14.

NHA, ORWA, inv. nr. 1066, fol. 216v, 27 februari 1635.

NHA, ONA Haarlem, 148, fol. 77v, 17 februari 1637.

Dit stuk grond is dus niet gekocht in 1638, zoals vermeld in het artikel van Gonnet. NHA, ORWA, inv. nr. 1066, fol. 191, 14 april 1634.

Het Utrechts Archief, Archief van de Balije van Utrecht der Johannierorde 1251-1851, inv. 287: Stukken betreffende de openbare verkoping van het hof [...] behorende aan de commanderij van Waarder, 1635. In 1638 werd ‘Sr. Du Moulin ‘opt Hoff [te Waarder] x 1 merghen 4000’aangeslagen voor 20 gulden. Streekarchief Rijnstreek, Kohier 200ste penning van Waarder.

Op de plek van dit verdwenen huis staat sinds 1941 het gebouw van de voormalige Christelijke School voor U.L.O.

NHA, Oud-Rechterlijk Archief van Haarlem (ORA Haarlem), Tp 76-56, fol. 69, 31 november 1635; NHA ORA Haarlem, Tp76.57, fol. 156, 26 maart 1637.

Transport van Gillis Vermeulen (de stiefzoon van Carl du Moulin) op Pieter van Campen in 1656. NHA, ORA Haarlem, Tp76.70, fol. 37.

C.W.D. Vrijland, ‘De zanderij van Elswout’, Jaarboek Haerlem (1953), 64 (zonder bronvermelding). Akten of kopie-akten aangaande de verlening van dit zandrecht in juni 1636 zijn niet aangetroffen in het in 1973 overgedragen huisarchief Elswout.

NHA, ORWA, inv. nr. 1067, fol. 152v, 20 november 1642; NHA, Elswout, inv. nr. 5. Een genealogie van de familie Dobbius wordt bewaard in de bibiotheek van het NHA, Depot 44-000364 M.

Bij een later transport van de gronden rondom de zandvaart aan Gabriël Marselis, stond in de akte vermeld: ‘Oock sal den cooper naercomen de contracten soo met sijn Ed[el]e de hooch ende welgeboren heer van brederode door Carel du Moulin wegens de sanderije is gemaeckt den cooper mede bekent’. NHA, Elswout, inv. nr. 8; NHA, ORWA, 1069, fol. 9v.

In de kaart is in potlood een schetsvoorstel ingetekend, om de wegen rondom Moulins hofstede en de wildernis van Brederode recht te trekken, in samenhang met Du Moulins andere, noordelijker gelegen hofstede, Meersenburg. Deze hofstede heeft na de verkoop in 1654 een andere eigendomsgeschiedenis gekend dan Elswout, wat pleit voor een datering van de potloodlijnen vóór 1654. Gezien het gegeven dat de zandvaart ook met potlood ingetekend is, maar niet eveneens als pengetekende officiële aanpassing is aangebracht, is de datering van de poloodtekening waarschijnlijk tussen juni 1642 en december 1644.

Zie behalve de kaart van Pieter Wils uit 1642, met daarin toegevoegd deze limietscheiding en begeleidende tekst, ook: NHA, Topografische Atlas, Erasmus den Otter, ‘Kaart van de limietscheiding tussen het “Hemelduijntgen”, gelegen op de grond van Elswout, en de Wildernis van Berkenrode’, december 1659.

NHA, ONA Haarlem, 138, fol. 135v-136v, notaris Jacob Pietersz Schoudt, 17 januari 1645.

NHA, ORWA, inv. nr. 1069, fol. 9v; NHA, Elswout, inv. nr. 7 en 8. De omschrijving ‘treffelijcke welbeplante hoffstede’ komt uit de transportakte bij de verkoop van de hofstede in 1654 door de crediteuren van Du Moulin aan Gabriël Marselis. NHA, ORWA, inv. nr. 1069, fol. 3.

Een paar jaar eerder, op 23 juli 1646, was ‘op dr. Carl du Moulijns hofstede ofte landehuijβ’ het dochtertje van haar broer (of oom) Hans van Gistelen en Maria Cromhuysen van Riga gedoopt. Het doop-, trouw- en lidmatenboek van de Lutherse kerk van Haarlem begint overigens pas in 1645.

NHA, Doop-, Trouw- en Begraafboeken (DTB), Haarlem 111, fol. 673-674. Matthias Dögen was afkomstig uit Dramburg, Achter-Pommeren (Drawsko Pomorskie). Hij werd op 6 augustus 1651 ingeschreven als lidmaat van de Lutherse kerk te Haarlem. Op 13 mei 1651 werd zijn huwelijk met ‘Maria Vermeulen van Hamburg wonend te Overveen’ te Amsterdam publiekelijk aangekondigd. SAA, DTB 681-89. Een paar dagen na het huwelijk op de hofstede waren ‘Carel de Molijn tot Oerleveen’ en ‘Maria Deugens’ in de Lutherse kerk te Leiden doopgetuigen voor een kind van Henrich Martenssoon. RAL, Dopen Lutherse kerk, 19 juli 1651.

Het is wel mogelijk dat Carl du Moulin en Dögen elkaar al langer kenden, als concurrent. Reeds sinds 1637 bracht Dögen namelijk Pruisische bosbouwproducten, zoals potas, namens de Keurvorst op de Amsterdamse markt. F. Mager, Der Wald in Altpreuβen als Wirtschaftsraum, Köln/Graz 1960, (Band II) 26.

Caerte, Aenwysende de gelegentheyt vande wildernissen, landen, wegen, ende wateringen, omtrent Overveen[...] in mayo anno 1642 door Pieter Wils. Nationaal Archief (NL-HaNA), Kaarten Hingman Supplement (4.VTHR), inv. nr. 688.

Voor de interpretatie van de kaart uit 1642 als ontwerp zie: De Jong en Dominicus-Van Soest 1996 (noot 3), 160; Oldenburger-Ebbers, Backer en Blok 1998 (noot 3), 236-237.

Zie de door Carl du Moulin geschreven tekst onder de schaalbalk:
‘Dit is de caerte van landen toebehoorende Carl du Moulin mette naburige landen daerom gelegen alsmede het hooge en ten deele lage landen van Sal. Lysbeth Tyssen ende hebbe ick ondergeschreven dese caerte ondertekent ende gelevert in handen van Hr baliouw van Brederode opde eersten juni anno 1642 - Carl du Moulin’. NL-HaNA, 4.VTHR, inv. nr. 688.

De enige andere Haarlemse schilder met dezelfde initialen in deze periode, is de vooral als kunsthandelaar actieve Johannes Wils. Op stilistische gronden wordt onwaarschijnlijk geacht dat hij de schilder van dit werk is geweest. Het kan in dit licht echter niet onvermeld blijven dat Carl du Moulin in nauw contact blijkt te hebben gestaan tot deze Johannes Wils. Wils trad wel eens als getuige op voor Du Moulin. NHA, ONA Haarlem, 142, fol. 195, notaris Jacob Schoudt, 11 juni 1650. Toen Carl du Moulin in 1652 krap kwam te zitten was Wils een van de mensen die hem geld leenden. NHA, ORWA, inv. nr. 1068, fol. 186v.

R. Ruurs, ‘Pieter Saenredam: zijn boekenbezit en zijn relatie met de landmeter Pieter Wils’, Oud Holland 97 (1983), 59-68.

[Prof. dr.] Fuchs, ‘Uit het reisdagboek van Christian Knorr von Rosenroth', Jaarverslag der Vereeniging Haerlem over 1916/1917, Haarlem 1917, 21-30.

Deze tekeningen uit 1805, voorheen gelegen in het poorthuis van Elswout, Staatsbosbeheer, zijn overgedragen aan het Noord-Hollands Archief en zijn in afwachting van ontsluiting en digitalisering. De in dit artikel vermeldde voorlopige nummers van de afzonderlijke tekeningen, betreffen de nummering volgens de oude inventaris. In Van der Wijck’s De Nederlandse buitenplaats is tevens een voor de reconstuctie relevante plattegrond uit 1805 afgebeeld, die niet in het Noord-Hollands Archief aanwezig is. Van der Wijck 1982 (noot 3), 50.

NHA, ORWA, 1069 fol. 3 ev.

Philip Vingboons geeft in 1648 twee voorbeelden van een ideale buitenplaats met een kruissymmetrische verdeling. Philips Vingboons, Afbeeldsels der voornaemste gebouwen, Amsterdam 1648, plaat 53, 53 a, 56 en 57. Het nimmer voltooide Hof te Bergen, dat vanaf 1643 is aangelegd voor Anthonis van Zurck, vertoont in zijn kern van drie eilanden overeenkomst met Moulins hofstede. Dit geldt ook voor Guillelmo Bartolotti’s hofstede Berg en Daal te Soest, maar deze buitenplaats is waarschijnlijk aangelegd vanaf 1651 (grondontginning reeds vanaf 1636). Sjoerd J. Schaper, ‘Het Hof in Bergen’, Tuinkunst 1 (1995), Amsterdam 1996, 26 en 29; G.J.M. Derks en W.A. Heurneman, Soest in de zeventiende en achttiende eeuw, Soest 2010, 202-205.

De singels zijn op de kaart uit mei 1642 geel gemarkeerd, wat zoveel betekent dat ze (nog) niet met bomen beplant waren. Over ‘begraven hofsteden’ als statussymbool zie: A. Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen, Hilversum 2009, 124-126.

De Buurweg ten westen van Du Moulins hofstede en de Lytweg ten zuiden van de hofstede werden in de diverse transportakten beiden óók wel alternatief als ‘heerweg’ omschreven. Dit kan verwarrend werken, maar duidt slechts op de functie van de wegen: een heerweg is een belangrijke doorgaande weg, geschikt voor rijtuigen en wagens. Nog verwarrender is dat de oostelijke heerweg, of Neerweg óók wel eens Buurweg wordt genoemd.

De kolfbaan en oranjerie van het poortgebouw wordt vermeld in 1663. Fuchs 1917 (noot 37), 26-27.

Het poorthuis zoals afgebeeld op het schilderij van Wouwerman is in één beweging geschilderd met de rest van de voorstelling en betreft op het oog geen bij- of overschildering. Met dank aan Pieter Biesboer.

Composiet boven Ionisch zou logischer zijn. Op het schilderij van Berckheyde is echter te zien dat ter hoogte van de begane grond de kapitelen te hoog zijn voor de Ionisch orde, waarbij de onderverdeling in een onder- en bovendeel Composiet lijkt te suggereren. Op de verschillende beschikbare afbeeldingen van de zeventiende-eeuwse oost- en westgevel, is de precieze ordening (in met name de oostgevel) slecht herkenbaar. Hieronder ook een prent door Jan de Beyer uit 1746 van huis Elswout vanuit het noordoosten, in: Tromp 1983 (noot 3), afbeelding 11.

Th. Schrevelius, Harlemias [vermeerderd met historische aantekeningen tot het jaar 1750], Haarlem 1754, 524; Fuchs 1917 (noot 37), 29-30.

K.A. Ottenheym e.a. (red.), Vincenzo Scammozzi. De grondgedachte van de universele bouwkunst. Villa’s en Landgoederen, Amsterdam 2003, 135 en 137.

Molino = mulino, Italiaans voor molen, Van Dale, Handwoordenboek Italiaans-Nederlands.
Getuige diens grafsteen in de ruïne van Sint Paul in Malakka, voerde het neefje van Carl du Moulin, Emanuel (Pieterszn.) du Moulin (Amsterdam 1620 - Malakka 1660) een wapenschild, horizontaal gebalkt in drie stukken, met in de bovenste balk twee molenkruizen, in de middelste balk een windhond en in de onderste balk wederom een molenkruis.

Met dank aan Guido Steenmeijer.

Tussen de pilasters hingen anno 1663 (behangsel)schilderingen. (‘Totum latus orientale Oecus occupant, antis ornatus tabulisque pictis per parietes’). Fuchs 1917 (noot 37), 28-29.

In dit eerste ontwerp van ene Martens uit 1805 werd deze zaaldecoratie nog behouden. Willem Borski, de toenmalig eigenaar van Elswout, heeft dit zaalinterieur kennelijk toch uit Elswout laten verwijderen, blijkens de verschillende bouwtekeningen van het definitieve verbouwingsontwerp door de bekende architect B.W.H. Ziesenis. NHA, Topografische Atlas, Elswout, E.14.93II.

In dat jaar tekende Van Campen de bestekken van de decoratie van de feestzaal van Honselaarsdijk (11 april 1637) en de aanpassing van de benedenzaal eronder (17 en 19 december 1637) betreffende o.a de pilastergeleding en het cassetteplafond. R. Meischke, ‘De Modernisering van twee grote zalen van het Huis Honselaarsdijk in 1637 door Jacob van Campen’, in: Klassieke traditie in beeldende kunst en architectuur (Nederlands Kunsthistorisch jaarboek 33), Bussum 1983, 195-196.

‘Camino columnae praepositae sunt altitudine antarum’, vertaald als ‘De schoorsteen wordt gedragen door kolommen zo hoog als pilaren’. Fuchs 1917 (noot 37), 28-29. Wellicht is deze schouw pas in 1805 door de nieuwe eigenaar Willem Borski verwijderd. Er was toen sprake van ‘een marmere schoorsteenmantel in de groote kamer’, die niet bij de koop inbegrepen was, en die op kosten van de vorige eigenaar Jacob Boreel verwijderd werd. NHA, Archief Elswout, inv. nr. 40.

J.J.Terwen en K.A. Ottenheym, Pieter Post, Zutphen 1993, 36-37 en 68.

Op een andere verbouwingsplattegrond uit 1805 werd deze scheidmuur nog behouden. Zie: Van der Wijck 1982 (noot 3), 50.

Dat Jacob van Campen volgens Meischke de énige persoon zou kunnen zijn geweest die de veelbereisde internationale koopman Du Moulin op architectonische inventies en voorbeelden had kunnen wijzen, lijkt mij wel te kort doen aan de achtergrond en internationale oriëntatie van Du Moulin. Ook had Du Moulin met zijn Hof te Waarder voldoende mogelijkheden om spontaan langs Huis ten Bosch te Maarssen gekomen te zijn. Meischke 1966 (noot 6), 143.

P.F. Vlaardingerbroek en B. Olde Meierink, ‘Johan Wolfert van Brederode en Jacob van Campen’, in: A.J.M. Koenheim e.a. (red.), Johan Wolfert van Brederode 1599-1655. Een Hollands edelman tussen Nassau en Oranje, Zutphen/Vianen 1999, 115-119.
Dat Joseph Coymans, en later zijn zoon Balthasar Coymans, de gronden ten zuiden van Moulins hofstede in eigendom had, is onvoldoende aanwijzing voor de betrokkenheid van Van Campen. Er zijn tot nog toe geen banden bekend tussen de families Coymans en Du Moulin.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 54), 18 en 156.

Naast Du Moulin stond ook Floris Michielsen borg. NHA, ORA, Transporten Haarlem, 76.58, fol. 86, 29 maart 1638.

I. van Thiel-Stroman, in: Köhler 2006 (noot 1), 272, noot 12.

NHA, DTB Haarlem, AVK 10, fol. 309, 10 juli 1639. Getuigen: Antoni Post, Charles Molijn en Francientje Pieters.

NHA, DTB Haarlem, AVK 11, fol. 114, 26 augustus 1640. Getuigen: Salomon Bogaert, Francientje Pieters en Margaretha Molijn.

NHA DTB Haarlem AVK 12, fol 111 dd 15 augustus 1643. getuigen: Antoni Post, Maria Vermeulen en Francientje Pieters.

Haags Gemeentearchief, DTB Kloosterkerk, 10 maart 1647. Getuigen: H.H. Amalia van Solms, ‘princesse van Oranje’ en Gillis Vermeulen.

H. Miemena, De Archiefbescheiden van het St. Lucasgilde te Haarlem, Alphen a/d Rijn 1980, 420.

J. Huisken e.a. (red.), Jacob van Campen. Het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1995, 20-21.

Zij waren familie via de Amsterdamse ijzerkramer Lodewijck Borremans, volgens een notariële akte uit 1656 de neef van Carl du Moulins stiefzoon Gillis Vermeulen. Borremans was getrouwd met een nichtje van Eva Stalpaert, Catharina Stalpaert. Eva Stalpaert weduwe Alewijn was getuige bij de dopen van de kinderen van Catharina Stalpaert en Lodewijck Borremans. Op 1 maart 1639 werd ze daarbij vergezeld door Hans Rundfleis, en Susanna Jansdr. du Moulin (geboren circa 1589) die was getrouwd met diens broer Christoffel Rundfleis. Hans Rundfleis verving in hetzelfde jaar Carl du Moulin bij de doop van een kind van Gillis Borremans, vermoedelijk een broer van Lodewijck. SAA, DTB Lutherse kerk, o.a. 3 maart 1639 en 13 september 1639; NHA, NA 151, fol. 87, notaris Jacob Schoudt, 14 december 1656.

U. Hammer, Kurfürstin Luise Henriette. Eine Oranierin als Mittlerin zwischen den Niederlanden und Brandenburg-Preuβen, Münster/New York/München/Berlin 2001, 91, verwijzend naar Geheimes Preußisches Staatsarchiv Preußischer Kulturbesitz, Berlin, PK1 HA Rep 9.

In 1640 was Du Moulins Russische monopolie op de export van potas, verlopen zonder dat hem verlenging werd geschonken. De productie en export, die de schatkist 1 roebel per vat opleverde, waren niet zo goed gegaan als gehoopt. Volgens de Russische overheid was het Du Moulin niet gelukt om ook maar ergens in de bossen van Rusland permanente potas-fabrieken te onderhouden, waardoor Du Moulin maar weinig winst voor de tsaar had gemaakt. Solomon Arel 2004 (noot 10), 195-197.

Als eerste, in december 1651, stootte Carl du Moulin het Hof te Waarder af. Hij verkocht het voor een onbekend bedrag aan Susanna van der Meulen, weduwe van Michiel van Craijensteijn en haar schoonzoon, de Utrechtenaar Johan Nicolaes van Malapert; NHA, NA Haarlem inv. nr. 231, fol. 447v, notaris Jan Davitse Colterman, 8 december 1651. Gillis Vermeulen kocht op 5 december het huis op de Kraaienhorstergracht; NHA, ORA Haarlem, Transporten 76.68, fol. 159, 5 december 1652. Gillis Vermeulen verkocht Du Moulins huis te Haarlem in mei 1656 aan ene Pieter van Campen (geen aantoonbare familie van Jacob van Campen); NHA, ORA Haarlem, Transporten 76.70, fol. 37, 5 mei 1652. Vermeulen woonde toen al in Noordwijk en liet de architect-landmeter Erasmus den Otter (de opvolger van Pieter Wils na diens dood in 1647) voor hem het geld innen; NHA, NA Haarlem 227, fol. 158, notaris Florens Swan, 4 juli 1656. Matthias Dögen kocht op 4 november 1652 voor 20.000 carolusguldens de gronden ten oosten van de hofstede, namelijk de gronden rondom de zandvaart, tussen de heerweg en de houtvaart; NHA, Elswout, inv. nr. 6; NHA, ORWA, inv. nr. 1068, fol. 183. Het benodigde kapitaal werd Dögen door iemand anders voorgeschoten; SAA, NA 1101-98, notaris J v.d. Ven, 20 september 1652. Matthias Dögen verkocht de landerijen rondom de zandvaart in 1654 aan Gabriël Marselis voor een lucratieve 30.000 gulden.
Ook in 1652 tekende Du Moulin een schuldbekentenis ten gunste van een aantal partijen, waarbij hij zijn hofstede te Overveen en zijn lijf als onderpand gaf. De begunstigers waren goede bekenden van hem. De Lutherse kerk (voor 4200 gulden), dominee Coenradus Vietor, de erven van Christoffel Rundfleis (de echtgenoot van Susanna Jansdr. du Moulin), Lodewijck Borremans samen met Johanna du Moulin, Jan Janszn. [de?] Cleermaecker, en last but not least de Haarlemse kunsthandelaar Johannes Wils. In totaal ging het om een bedrag van 13.560 gulden. NHA, ORWA, inv. nr. 1068, fol. 186v.

NHA, ORWA, inv. nr. 1068, fol. 90, 10 november 1649; fol. 98v, 21 december 1649; fol. 163, 3 januari 1652.

NHA, ORWA T, inv. nr. 1068, fol. 186v. In de kanttekening staat 25 maart 1654 genoteerd als afbetaald; NHA, Evangelisch-Lutherse Gemeente, inv. nr. 314, Register van rekeningen, goedgekeurd door de kerkeraad 1656-1801, fol. 3, ‘26 juli 1656 ontfangen van Sr. von Moulinn Caputall und de rente van 1 ½ jarren myn [minus] 4 dagen f 4291,0,-’. Andere, voornamelijk Amsterdamse schuldeisers kregen van hun openstaande leningen aan Carl du Moulin t.w.v. 25.600 gulden uiteindelijk in maart 1656 slechts tachtig procent uitbetaald, dus 20.480 gulden, waarmee de zaak was afgedaan. De Amsterdamse crediteuren namen aansluitend custingbrieven (een type schuldbekentenissen) over van een viertal andere mensen, waaronder de brief van de weduwe Post te Haarlem (waarschijnlijk Francien Verbraak, de moeder van Pieter Post) t.w.v. 1000 gulden. SAA, NA 1842-274 ev., notaris Albert Eggericx, 20 maart 1656.

NHA, DTB Haarlem, inv. nr. 111-520. Nog op 27 januari 1658 was Carl du Moulin te Amsterdam in de Lutherse kerk getuige bij de doop van zijn kleinkind Lodewijck Dögen. Voor de activiteiten van Dögen en Du Moulin in Pruisen, zie: Mager 1960 (noot 31), (Band II) 26-27, 43 en 48.

De rekeningen van de Lutherse kerk te Haarlem zijn bewaard gebleven vanaf 1656. Du Moulin was kennelijk al vóór 1656 vertrokken uit Haarlem, omdat hij in de jaren 1656-1662 niet voorkomt in de rekeningen als betalend lid. NHA, Evangelisch-Lutherse gemeente Haarlem, inv. nr. 314.

NHA, NA 1617, fol. 149, notaris Schoudt, 12 juni 1667.

In september 1665 werd Gabriël Marselis in de Deense adelstand verheven; een passende gelegenheid om de staat van de oprijlaan te herzien.

De oude stalgebouwen zouden plaats hebben gemaakt voor grote nieuwe paarden- en rijtuigstallen, door Muysken in dezelfde stijl ontworpen als het huis en de oranjerie. NHA, Topografische Atlas, Elswout.
Zie voor de verbouwing van huis Elswout onder Willem Borski jr: I. Groeneveld, Borski Bouw, doctoraalscriptie Kunstgeschiedenis Vrije Universiteit Amsterdam 2004, 67-86.
Hoe te citeren
GROENEVELD, Inger. What’s in a name? Nieuw licht op Moulins hofstede, de vroegste aanleg van buitenplaats Elswout te Overveen. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 111-125, juni 2012. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Groeneveld111>. Datum gebruik: 20 sep. 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.111.2012.2.96.
Gepubliceerd
2012-06-01