‘Die Vorliebe der Niederländer für helle, freundliche Zimmer’. Oldenburgs stucwerk in Nederland tussen 1775 en 1925

  • Gerhard Geerken

Samenvatting

‘Dutchmen like light, representative interiors’, according to several Germans in the nineteenth century. They referred to the taste in living of above-average citizens. Evidently, there was a preference for white, sometimes also for bright colours. In the period 1775-1925 more than a thousand Oldenburg plasterers earned a living from the taste of Dutch citizens. The farmer’s son J.B. Logeman (1748-1814) from Oldenburg was the first. In Amsterdam he learned the plasterer’s craft and was quite successful in the Northern Netherlands and Germany. This inspired people from the same regions. What they made, who commissioned them, how they worked and where, varies during three sub-periods between 1775 and 1925.

High-quality craftsmanship characterizes Oldenburg stuccowork in the pioneering phase from 1775 to 1825. For instance, Logeman contributed to the spread of neo-classicism in the Northern Netherlands. He obtained his exclusive position because of the demand for stuccowork among the private and public elite, and through exceptional instruments such as exclusive rights and building fraud. The artistic craft was a steppingstone for the niches in the free regional markets during the subsequent period.

Between 1825 and 1875 the Oldenburg craftsmen supplied good-quality interiors as well as exterior walls at a good price, chiefly designed according to the current taste. The formula for success in a time of small economic margins – here industrialization had not broken through yet – was the smoothly running cooperation between emigrant and seasonal worker. The emigrant, who often married a Dutch woman, obtained commissions through the local network and organized the stream of seasonal workers from his native region in such a way that the demand for custom-made stuccowork, varying per season, was provided for. In the course of the nineteenth century a lot of ornamental cast stuccowork was applied in the houses of above-average citizens. This had to be cleaned and whitewashed regularly because of the build-up of soot caused by stoves.

When industrialization broke through in the Netherlands, migration from Oldenburg declined with ups and downs. The market for stuccowork grew during the period 1875-1925, wages increased and more Dutchmen became plasterers, but the Oldenburg entrepreneurs were scarcely active in revolutiebouw (jerry building) and lost position due to the tenders, which were practised on a larger scale. At that time Oldenburg stucco workers already found well-paid work in Germany more frequently. In the Netherlands the demand also changed. Washable wallpaper, which was produced in a mechanized process from 1875 onwards, was cheaper to purchase and maintain than stuccowork. Moreover, oil paint obtained a larger share in the finishing.

The emigrants and their descendants remained active as established plasterers’ companies, but they integrated fully in the Netherlands trade organizations. The Oldenburg tradition started in Amsterdam and Groningen and spread in many regions north of the large rivers. In the period 1775-1925 these Lutheran craftsmen did not go to the South, where the Roman-Catholic tradition was dominant.

Since 2010 the author has registered personal data and works of Oldenburg plasterers in the Netherlands. For his research he requests readers to report plasterers with German names who worked in the Netherlands between 1775 and 1925. It is quite likely that they were of Oldenburg origin.

Referenties

Deze stukadoors kwamen uit het Noord-Italiaanse Piemonte en Ticino en het Zuid-Zwitserse Lugano en worden hier kortweg aangeduid als Italianen, zoals in de literatuur ook gebruikelijk is.

J. de Haan, ‘Stucwerk van Johan Bernhard Logeman (1748-1814)’, Hervonden stad 10 (2005) 7, 133-140.

G.H. Geerken registreert sinds 2010 persoonsgegevens en werken van Oldenburgse stukadoors in ons land tussen 1775 en 1925. Begin 2012 zijn ruim 1150 stukadoors en 125 werken bekend, gebaseerd op 3000 vermeldingen in literatuur, bouwarchieven, historische kranten, vreemdelingenregisters, kerklijsten en genealogische bronnen. Vaak zijn geboortejaar, woonplaats, burgerlijke staat, ouders van migranten bekend en of ze ‘emigrant’ of ‘seizoenarbeider’ zijn. De Oldenburgische Gesellschaft für Familienkunde (OGF) is een belangrijke bron voor genealogische informatie. Vele bronnen zijn nog niet bewerkt. Naar schatting gaat het om meer dan 1500 stukadoors uit de drie kerngemeenten Wardenburg, Hatten en Grossenkneten. Oproep: Kent U stukadoors met een Duitse naam die tussen 1775 en 1925 in ons land werkten, dan wordt de auteur daarvan graag op de hoogte gebracht. De lezer kan informatie krijgen over Oldenburgse stukadoors en stucwerken.

J. Tack, Die Hollandsgänger in Hannover und Oldenburg, Leipzig 1902, 116. Predikant Wolter bevestigt dat de vraag in Holland van de betere burgers komt: ‘Holland is das Eldorado der stukadoors. Stukkaturarbeit an den Decken und oft an den Wänden ist ein Schmuck aller besseren Häusern’, A. Gladen e.a., Hollandgang im Spiegel der Reiseberichte evangelischer Geistlicher, Münster 2007, 514.

Tack 1902 (noot 4), 116: ‘Die Entstehungszeit dieser Wanderarbeiter liegt im Dunkeln. Der Mangel an Akten und sonstigen Nachrichten lässt keine sicheren Angaben zu.’ Lutherse predikanten, die sinds 1867 spraken met de stukadoors, kenden Logeman niet. Predikant Wolter zegt in 1869: ‘Der erste, soviel ich erfahren [habe], ist der jetzt verstorbene stukadoor Martens gewesen’, Gladen 2007 (noot 4), 515. Bedoeld wordt J.E. Martens, stukadoor in Leeuwarden van 1843 tot 1867. Predikant Schauenburg in 1886: ‘Ein Oldenburger namens Martens soll der erste deutsche Stuckmeister in Amsterdam gewesen sein’, Gladen 2007 (noot 4), 888. Dit betreft J.H. Martens (geboren 1767), de oom van voornoemde J.E. Martens.

J. Lucassen, Naar de kusten van de Noordzee, Gouda 1984; L. en J. Lucassen, Winnaars en verliezers, Amsterdam 2011, 232; A. Heering, ‘Van schoorsteenvegers en pizzabakkers’, Stad en Lande, Historische reeks 4, Utrecht 1985; P. Lourens en J. Lucassen, Arbeitswanderung und berufliche Spezialisierung, Osnabrück 1999; M. Schrover, Een kolonie Duitsers, Amsterdam 2002; K. Mulder, Hannekemaaiers en kiepkerels, Haren 1973.

Predikant Schauenburg in: Gladen 2007 (noot 4), 878.

Predikant Meyering in: Gladen 2007 (noot 4), 498.

Predikant Schauenburg in: Gladen 2007 (noot 4), 888.

W. Stelljes, Wardenburg, Oldenburg 1995, 188; I.J. Leutscher, ‘De “Stückedor”’, Neerlands Volksleven 20 (1970) 2, 63; Tack 1902 (noot 4), 116-117; Mulder 1973 (noot 6), 108.

Staatsarchiv Oldenburg, bestand 76-9, inv. nr. 203 en 204.

G.H. Geerken, Migratiepolitiek tussen herkomst- en profijtbeginsel. De publicatie verschijnt in 2012 in het verslag van de inleiding Die obrigkeitlichen Bedingungen für eine Migration am Beispiel der Oldenburger Stuckateure in den Niederlanden, tijdens het symposium ‘Migration in Nordwestdeutschland und den benachbarten Niederlande’, in Emden op 14 en 15 oktober 2011.

B. Rinn, ‘De “Kölner Decke”’, in: E. Koldeweij (red.), Stuc, Kunst en Techniek, Zwolle 2010, 188-206.

G. Beard, Stucco and Decorative Plasterwork in Europe, New York 1983, 57.

W.V.J. Freling, Stucwerk in het Nederlandse woonhuis, uit de 17e en 18e eeuw, Leeuwarden/Mechelen 1996, 169.

Met dank aan W. Freling, die deze informatie mondeling kreeg van professor Andrea Spiriti van de Universiteit in Varese, Italië.

A. van Geloven, ‘Meesters in gips en kalk, Over de goede reputatie van de Vughtse stukadoors’, Vughtse historische reeks 5, Vught 1997, 126-139.

C.W. Fock, diverse publicaties, onder andere: ‘18e eeuws stucwerk in Nederland’, Heemschut 59 (1982) 2, 36-38; Freling 1996 (noot 15); J. de Haan, Hier ziet men uit Paleizen, Assen 2005; Den Haan 2005 (noot 2); Koldeweij 2010 (noot 13).

Bij deze 125 werken zijn toeschrijvingen niet meegeteld. Geerken 2010-2012 (noot 3).

Fragmenten van het stucwerk in het Drostenhuis, uitgevoerd tussen 1775 en 1780, zijn nog aanwezig. De rekening noemt als gebruikte materialen ‘gegloeit koperdraat, pleister, spijkers, kalk om te witten, bossen riet, stuifkalk en compesitie voor de vogtige Muir’.
De opdrachtgever van Vismarkt 56, koopman Fruytier, was ontevreden over de voortgang. De onenigheid over onder andere de stijlkeuze vocht hij voor de rechter uit!
De trofeeën in Vismarkt 56 lijken op die in Fraeylemaborg in Slochteren. De mededeling van de archivaris van dit private archief aan J. de Haan wijst op Logeman als maker.
Het stucwerk in het stadhuis van Sloten (Friesland) bevindt zich in de raadzaal: een stadswapen op de schoorsteenmantel, een landschap met ruïne als bovendeurstuk en op het plafond de symbolen van vier jaargetijden. De Haan 2005 (noten 2 en 18); Drents archief, Oud Staten Archief, toegang 0001, inv. nr. 1775-243.

De Haan 2005 (noten 2 en 18).

T. von der Dunk, Een Hollands Heiligdom, Amsterdam 2007, 46, 51, 186, 314. De prijsvraag voor het Gronings stadhuis droeg bij aan de landelijke verbreiding van het neo-classicisme. Vanaf 1750 ontwikkelde die stijl zich in Amsterdam en kreeg vanaf 1760 al bekendheid, maar Petrus Camper sneed de prijsvraagopgave helemaal toe op die stijl. Alle grote bouwmeesters uit de Republiek deden mee, zelfs van daarbuiten en allen moesten zich dus gelijktijdig over de opgave buigen. Het ‘meest baanbrekende bouwwerk in die eeuw’ werd pas veel later gebouwd. De definitieve overgang van rococo naar neo-classicisme (Lodewijk XVI-stijl) wordt gesteld op 1775.

Het Groninger stadhuis valt buiten de termijn van Logeman’s alleenrecht. Buiten het publieke karakter: Fraeylemaborg, Vischmarkt 56, Overcingel (toeschrijving), opdracht van familie Stuermann (Bentheim) en kerk Harlingen (toeschrijving); buiten het Groninger rechtsgebied: Drostenhuis in Assen en stadhuis in Sloten.

Groninger Archieven, toegang Archief Secretarie, inv. nr. 542, los blad achterin Octrooiboek 1737-1796; De Haan 2005 (noot 2).

Stadsarchief Amsterdam, archief van de stadstekenacademie, toegang 265, diverse inventarisnummers. Jacobus Buys verwoordt in 1769 de ambitie in een toespraak over één van de basisvakken, het ‘teekenen naar het leevend menschbeeld’: ‘Bevlijtigt U dan om dit gedeelte der kunst magtig te worden; want hier in zijn onze Nederlanders doorgaans minder geweest dan de Italianen, daar ze anders altoos, en genoegzaam boven alle Natiën, hebben uitgemunt in het verbeelden der eenvoudige Natuur […].’, Stadsarchief Amsterdam, Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten, toegang 681, inv. nr. 82.

Hans Jacob en Hendrik Huslij (1706-1788), Freling 1996 (noot 15), 339.

Mededeling van S. ten Hoeve over stucwerk en stijlen in Friesland in het jaar 1774.

R. Stenvert e.a., Fryslan, Monumenten in Nederland, deel 6, Zeist/Zwolle 2000.

Groninger Archieven, toegang Archief Secretarie, inv. nr. 542, Octrooiboek 1737-1796, De Haan 2005 (noot 2).

Groninger archieven, toegang 1605, Archief stad Groningen, inv. nr. 169r, bijlagen bij rekeningen van bouw stadhuis, omslag 47, 1806. Logeman ontving in totaal bijna 1500 gulden (omslag 37).

De dochter van Van Lier was bevriend met de Groningse burgemeester L. Trip. Met vriendelijke dank aan B. van der Zwan van het Drents archief voor deze informatie.

Voor het stucwerk in Vismarkt 56 in Groningen kreeg Logeman 440 gulden, voor het stadhuis in Sloten 290 gulden, De Haan 2005 (noot 2), 136, 138.

De Haan 2005 (noot 2).

Met vriendelijke dank aan de heer Van Lier voor het tonen van stucwerk in Overcingel.

P. Brood, Hemels Drenthe, Leeuwarden 2008, 15: ‘Meer dan twintig getuigen konden bewijzen dat hij van de materialen voor de Smildinger kerk zoveel gestolen had, dat hij daarvan een kostbaar huis kon bouwen. Naderhand verkocht hij dit huis weer aan een van de Drentse bestuurders, die ervoor moest zorgen dat hij ook het werk aan de landschapsgebouwen in Assen kreeg. Zijn tegenstanders beweerden dat hij te veel wist van de ‘schelmenstreken’ van de Drentse heren en daarom stilgehouden werd met opdrachten.’ Voor de bouwfraude ook: R.D. Mulder, ‘Johannes van Lier 1726-1785’, Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1942.

Logeman zou slechts 184 kubieke voet steen geleverd te hebben in plaats van de in rekening gebrachtte 278 kubieke voet. Groninger archief, Ingekomen stukken bij Burgemeesteren en Raad der Stad Groningen, 5 februari 1805.

De Haan 2005 (noot 2).

Van de knechten Hindrik, A.C.Visser, Butte, Hindrik Brutje, H. Vaget, Stöver en Oltman zijn de laatste drie met zekerheid Noord-Duitse stukadoors. Rekening Drostenhuis 1775-1781, Drents archief, toeg. 0001, inv. nr. 1775-243.

Testament J.B. Logeman in Staatsarchief Aurich, Amtsgericht Emden, Rep. 124, Nr. 1287, Reg. Signatur 999.

Groninger Courant, 9 mei 1797.

De Oldenburgse onderwijsinspecteur Mützebecker noemde J.D. Grube, die schoolmeester was in Astrup van 1782 tot 1819 in een brief van 1793 een ‘Hollandgänger’ die ‘een betere gypsarbeider dan schoolmeester was’. Grube speelde volgens de inspecteur een belangrijke rol in de verbreiding van de ‘Hollandgängerei’ in deze streek, in dit geval dus het stukadoorsvak, W. Stelljes 1995 (noot 10), 200.

Geerken 2010-2012 (noot 3).

Ook metselaar Vosteen was een leerling. Stadsarchief Amsterdam, Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten, toegang 681, inv. nrs. 104-106.

De Oldenburgers volgden aan de Akademie voor Beeldende Kunsten de vakken boetseren en pleisteren en wonnen tijdens hun opleiding prijzen (1826: J. Martens en J.E. Martens). Andere prijzen: Algemene Konst- en Letterbode Amsterdam, 27 oktober 1828 (J.H.M. Wandscheer); Algemeen Handelsblad, 1 november 1837 (J.H. Neumann) en 10 november 1849 (J.F.C. Wandscheer); Amsterdamsche Courant, 23 november 1841 (H.E. en B.E. Stöver).

Beretta woonde in Den Haag, maar kwam voor herstel van zijn gezondheid naar Oberlethe, waar hij volgens het kerkboek in Oberlethe verpleegd werd door weduwe Brüggemann. De familie Beretta uit Lugano bracht veel stukadoors in ons land voort.

De Haagse stukadoors P.A. en J.A. Beretta, neven van F.G. Beretta, maakten vanaf 1847 voor baron Van Heeckeren het stucwerk in kasteel Twickel in Delden. De Oldenburgers J.D. Brüggemann en C.H. Oltmanns zijn vanaf 1859 vermeld als hun knechten en namen vanaf 1861 deze klant over. Huisarchief Twickel, inv.nr. 2505 en 2506. Met vriendelijke dank aan de archivaris A. Brunt.

Compagnieschappen: Verda-Labohm 1818, Bianchi-Labohm 1821, Bianchi-Sparenberg 1823, Leydse Courant 1818-1824.

J.H. Stöver maakte een beeld van mr. J. van Lennep in 1851 en werd door zijn leermeester Royer voorgesteld aan koning Willem, Leydse Courant, 9 mei 1851. J.E. Martens, won prijzen voor zijn kunstambacht, maar maakte ook reclame voor nieuwe bouwmaterialen als alabastine, asfalt en muurverf, Leeuwarder Courant, 27 maart 1846, 25 februari 1848, 3 november 1854, 15 november 1864. J.D. Grube maakte fraai stucwerk, maar handelde ook in steen en mahoniehout, Algemeen Handelsblad, 4 september 1839, 4 april 1848, 25 augustus 1854. Het kunstmarmer van J.H. Knetemann is eervol vermeld, maar hij maakte ook coatings voor ketels, Bouwkundige bijdragen, volume 5, Maatschappij tot bevordering der bouwkunst, Amsterdam 1856; Maatschappijbelangen, Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel, Haarlem 1857; Nieuwe Rotterdamse Courant, 21 augustus 1861, 21 februari 1864; Koldeweij 2010 (noot 13), 307. Het kunstmarmer van J.H. Paradies is eervol vermeld op de wereldtentoonstelling in Parijs 1878, Het Nieuws van de Dag, 21 oktober 1878; De Tijd 22 oktober 1878; Koldeweij 2010 (noot 13), 307.

De rekening van Gebr. Meiners in 1863 noemt het vormen, gieten, zuiveren, plaatsen en bijwerken van ornamenten. In Paleis Huis ten Bosch werd in 1863 de bovengang gestukt. Koninklijk Huisarchief, archief van de Intendance Den Haag, E9a-IIIb-93 en 78.

Mondelinge mededeling van W. Freling.

Geerken 2010-2012 (noot 3).

N. Elias, Het civilisatieproces, Meppel/Nijmegen 2001.

De relatief grote dichtheid in Friesland verklaart S. ten Hoeve uit de rijkdom van de kerken sinds de Middeleeuwen. Het intensieve onderzoek van S. ten Hoeve naar interieurs in Friesland draagt ongetwijfeld bij aan de relatief grote dichtheid van waarnemingen in deze provincie, Geerken 2010-2012 (noot 3).

A. van der Woud, Het lege land, Amsterdam 2010.

Van Geloven 1997 (noot 17), 127.

Stelljes 1995 (noot 10), 196, 199.

Gladen 2007 (noot 4), 515; Geerken 2010-2012 (noot 3). De stukadoors waren vaak verwanten, maar ook dorpsgenoten. Bijna alle familienamen uit de gemeente Wardenburg, waar de traditie begon, komen voor in het bestand van de auteur.

In 1868 telde Wardenburg 299 Hollandgänger, Hatten 89, Grossenkneten 46 en enkele andere gemeenten samen 26, Lucassen 1984 (noot 6), 373; Stelljes 1995 (noot 10), 198.

Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage en Rotterdamsche courant, 7 juni 1862.

Vreemdelingenregister Amsterdam vanaf 1849, Stadsarchief Amsterdam, toegang 5225, diverse inventarisnummers.

Knotter berekent 10 procent per jaar, A. Knotter, ‘Stedelijke economie en arbeidsmarkt. Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw’, BMGN 101 (1986) 4, 551-580.

Gladen 2007 (noot 4); Von der Dunk 2007 (noot 22); Van der Woud 2010 (noot 54).

Voor werklocaties: Geerken 2010-2012 (noot 3). Een lijst in het kerkarchief Hatten vermeldt waar de Oldeburgers in 1868-1870 werkten. Hieruit blijkt dat 45 procent naar Amsterdam ging. Kerkarchief, nummer 152, omslag X [23].

Na de voorjaarschoonmaak ging de roetende kachel niet meer aan. De huizen werden dan gereinigd en gewit. Nationale verhuisdag was 1 mei. Deze startdatum van éénjarige arbeidscontracten leidde tot veel verhuizingen en dus tot onderhoud van huurhuizen. Een grote hoeveel werk moest dan in korte tijd worden geklaard.

Het aantal arbeidsuren per dag werd genoemd door seizoenarbeiders in brieven aan hun familie. De zeventienjarige Hein Döbken (1894-1895) werkte 14 uur per dag. Ook predikanten in verslagen van hun bezoek aan seizoenarbeiders noemen uren, bijvoorbeeld Meijeringh noemt 16 uur per dag in 1868 (Gladen 2007 (noot 4), 497), en Schauenburg noemt 16 uur en soms meer per dag in 1886 (Gladen 2007 (noot 4), 888). Kuhlmann meldt in 1889 dat de witters in scholen en kantoren ook op zondag werkten (Gladen 2007 (noot 4), 993). F.L. Cornet vergelijkt de werktijd van 10 uur per dag in 1898 met 15 en 16 uur per dag in 1858. ‘Résumés der getuigenverhoren’ van de Commissie tot het instellen van een onderzoek naar de arbeidstoestanden in Amsterdam 1897-1905, Stadsarchief Amsterdam, toegang 5408, Archief van de werkloosheidscommissie, inv. nr. 25, Verslagen van de verhoren van personeel in de bouwbedrijven, 100.

F.L. Cornet vertelde in 1898 hoe het was toen hij in 1858 als leerling begon: ‘Slechts een gering aantal patroons was er in het vak, hoogstens een derde van het getal nu. Martens wel de voornaamste, dan Hirschbein. Velen waren bij ’t vak Duitschers; niet alleen de patroons, ook de knechts. Het quantum Amsterdamsche stukadoors was zeer gering. Vooral uit Oldenburg kwamen vele Duitschers, die een klein pachterijtje hadden, gedurende drie maanden hier de pacht verdienen. Niet alleen waren het witters, ook goede stukadoors en muurwerkers’, ‘Résumés der getuigenverhoren’ 1898 (noot 65).

Uitspraken van Oldenburgse stukadoors die voor 1925 in ons land werkten en van lutherse predikanten, die de stukadoors bezochten, Gladen 2007 (noot 4).

Gladen 2007 (noot 4), 513. In 1872 komt hij weer in Nederland, herhaalt zijn uitspraak over de kale, koude kerkinterieurs, maar benadrukt dan - als contrast - de hartelijke en betrokken aandacht van de Nederlanders. Gladen 2007 (noot 4), 598-599.

Predikant Schauenburg in: Gladen 2007 (noot 4), 888.

Stukadoor Erdmann in: Stelljes 1995 (noot 10), 191.

Brief van Hein Döbken, 8 april 1894, particulier bezit (noot 81).

Oldenburgische Oberkirchenrat verklaart in 1873: ‘Die Geringschätzung, die ihnen [turfgravers en stukadoors] manchmal von der holländischen Bevölkerung entgegengebracht worden sei.’ In: Gladen 2007 (noot 4), 619.

Knotter 1986 (noot 61).

Stukadoorsbedrijven konden hun vakkrachten gemakkelijker vasthouden.

‘Résumés der getuigenverhoren’ 1898 (noot 65), 98.

Andere push- en pullfactoren die met ups en downs tot daling van migratie leidden: de Vreemdelingenwet van 1849, de Voorschotregeling 1834-1864, landbouwkundige verbeteringen in herkomstgebied en de sluiting van de landsgrens tijdens Frans-Duitse oorlog 1870-1871. Na 1875 speelde arbeidsmarktfactoren: Oldenburgse stukadoors waren minder succesvol bij aanbestedingen (Gladen 2007 (noot 4), 928), concurrentie van Nederlandse stukadoors nam toe (‘Résumés der getuigenverhoren’ 1898 (noot 65), 98), en werkloze Nederlandse arbeiders waren het hele seizoen beschikbaar, terwijl de Oldenburgers alleen in seizoenarbeid werkten (Gladen 2007 (noot 4), 906 en 993).

Per jaar kon 300-600 mark verdiend worden, goed voor aankoop van 2 hectare grond in 8 jaar tijd. ‘Im Spiegel der Zeit’ 700 Jahre Wardenburg, Wardenburg 1970, 111.

In Oberlethe maakten Willers en Gerdes stucwerk in hun boerderijen, in Hatten deden Schnitker en Müller dat en in Grossenkneten decoreerde Erdmann zijn buitengevel. De ontginningen komen aan de orde in een niet gepubliceerd interview met de 92-jarige H. Beneke door studenten in 1976, met vriendelijke dank aan W. Stelljes.

Fries Scheepvaartmuseum Sneek, Verzameling van 119 tekeningen van sierstucwerk, vervaardigd door stukadoorsfamilie Wempe, objectnummer 1983-253.

Predikant Kuhlmann waarschuwde in 1889 voor de veranderende arbeidsmarkt aan beide zijden van de grens. Hij noemde Bremen, Osnabrück, Münster en Keulen als steden waar Oldenburgse stukadoors werk vonden, en signaleerde de toenemende concurrentie en veranderende vraag naar interieurafwerking in Nederland. Hij betreurt het dat seizoenarbeiders er vaker voor kiezen om met witten snel geld te verdienen en dat het kunstambacht van stukadoor onder Oldenburgers afneemt, Gladen 2007 (noot 4), 993. Tack bevestigt dit: ‘Steht die Kunstfertigkeit dieser Leute nicht mehr auf der früheren Höhe. Sie sinken immer mehr zum einfachen Anweisser herab.’, Tack 1902 (noot 4), 117.

Voorjaar 1894 ging de zeventienjarige Hein Döbken uit Wardenburg in de kost bij zijn oom, die werkte in de ‘stukadoorswinkel’ van een ander familielid in Dordrecht. Hein schreef zijn ouders dat hij het vak goed wilde leren: ‘Onkel sagte wenn ich beim weißen bleibe, so könne ich nachher schon Geld verdienen wenn ich aber Neuarbeit lernen wolle, nicht. Am liebsten will ich letzteres auch, sonst muß ich nächstes Jahr noch wieder lernen.’ (8 april 1894). ‘Das weissen ist jetzt mit Pfingsten meist abgelaufen. Die Zeit von März bis jetzt wird genannt die Schoonmakerzeit. Dann wird alles im Hause gekehrt und gereinigt. Jeder will dann am ersten fertig sein und so kommt es das es ganz drock wird mit weissen. In dieser Zeit verdient der Baas und auch die Knechte das meiste Geld.’ Hij zet door om het vak te leren: ‘Seit 6 Wochen habe ich am Plavon (Decke) das Beits unteranschlagen und den ersten Kalk darunter geschmiert, und in der ander Zeit habe ich einem Gange und Küche die Mauern ausgeraabt, das ist das, was sie in Oldenburg gutzen nennen. Der Kalk wird da mit einem Truffel angeschmiert und dan mit eine Latte glatt geschürt. Etwas habe ich auch schon gepleistert, da gehört aber mehr zu; es soll aber wohl lernen wenn ich es mal erst etwas mehr gethan habe.’ (15 juli 1894). Maar die kans krijgt Hein niet, want hij moet gaan witten in Middelburg: ‘Ich kann Euch mittheilen dass wir am Montag den 23 Juli mittags 12 Uhr nach Middelburg gefahren sind […] mit einem sehr grossen Dampfschiff […] was mich viel Plasier gemacht hat. Wir müssen hier 5 Schulen weissen woran wir noch reichlich drei Wochen Arbeit haben.’ (29 juli 1894). In september gaat hij terug naar Oldenburg. Het volgend voorjaar drong zijn oom opnieuw aan bij de jonge Hein: ‘Ich müsse noch nicht danach trachten um schon zu verdienen sondern ich müsse jetzt mal sehen daß ich etwas lernte. Es ist jetzt schon sehr drock hier, wir sind jetzt mit 31 Mann an der Winkel die auch schon allerlei Arbeit verrichten können.’ (9 april 1895). De kans om het vak te leren was er, maar het snelle geld lonkte. Hein kon na één jaar goed witten: ‘Ich bekomme per Stunde 12 Cent und bei Neuarbeit 10 Cent.’ (5 mei 1895). Maar hij twijfelt: ‘Wenn ich wieder nach Middelburg gehe dann kann ich hier in der kurzen Zeit auch noch nicht viel Neuarbeit lernen. Wenn ich Neuarbeit lernen will so muss ich mir auch noch allerlei Gerätschaften machen lassen welchens für die 4-5 Wochen die Mühe hast nichts wert ist. Nun habe ich auch schon wieder gedacht ich wollte beim witten bleiben. Ich habe dann pro Woche auch ca. 2.50 M. mehr an Verdienst.’ (26 mei 1895). Zijn keuze was duidelijk: ‘Ich habe zu den Baas gesagt daß ich nur beim witten bleiben wollte. Denn viel lernen kann ich in der kurzen Zeit auch ja nicht und ich habe an Geld auch wohl 20 Gulden mehr (16 juni 1895). Wenn ich hier noch bleibe so werde ich doch niemals ein guter Stükadoor denn man muß allzeit die Arbeit thun, woran er sieht, das er am meisten Vortheil dabei hat. Und ich kann wohl 25 Jahr alt werden, das heißt bei Neuarbeit, eher ich das volle Geld 17 Ct (30 Pf ungefähr) kriege. Wenn ich hier auch etwas lerne so muß ich nachher doch alles wieder umlernen wie ich wohl schon gehört habe. In den anderen Städten in Holland bekommen die Stukadoors auch nicht allemal mehr.’ (zomer 1895). Dat Hein in de stad niet aardde, beïnvloedde zijn besluit waarschijnlijk. Brieven in bezit van familie Döbken, Wardenburg.

Knotter 1986 (noot 61); Archief werkloosheidscommissie 1898 (noot 65).

Stukadoor Gramberg verklaart: ‘Dass im vorigen Jahre für die Arbeiter es gar zu wenig zu tun gab und manche sich dadurch diesmal von Rückkehr nach Holland abhalten liessen.’ Volgens stukadoorsknecht Engelbart werd er minder gebouwd, doken de bazen bij aanbestedingen tot vijftig procent van de normale prijs en moest het werk in vijftig procent van de tijd klaar zijn om aan het werk te blijven, Gladen 2007 (noot 4), 928.

Zonen van emigranten die het bedrijf van hun vader voortzetten, zijn meegeteld omdat hun broodwinning daar rechtstreeks uit volgde, Geerken 2010-2012 (noot 3).

H. van Kempen, ‘Paasbloemekes, de traditionele grote schoonmaak voor Pasen’, Traditie 6 (2000) 1, 7-11.

De afnemende waardering voor stucwerk bij de burger blijkt niet alleen uit het dalend aantal Oldenburgse stukadoors in ons land (afb. 4), ook uit de advertenties voor verhuur en verkoop van woningen waarin de aanwezigheid van stucwerk wordt vermeld. Deze advertenties vertonen eenzelfde golflijn als afbeelding 4. Eind achttiende eeuw verschenen de eerste advertenties. Dit aantal nam geleidelijk toe en steeg na 1835 snel tot een niveau dat aanhield tot 1870. Daarna daalde het weer. Zoals blijkt uit de advertenties daalde de waardering voor stucwerk na 1900 ten gunste van behang. De Koninklijke Bibliotheek publiceert historische kranten op internet. De auteur heeft voor zijn onderzoek gebruik gemaakt van deze rijke bron.

U. Boeck, Doris Böker en Walter Wulf (red.), Baudenkmalen in Niedersachsen, Stadt Oldenburg, Band 31, Hameln 1993, 135-236; Bestandsaufnahme denkmalwürdiger Häuser und Objekte in der Stadt Oldenburg, Ergänzung der Liste der Denkmäler Fachhochschule Oldenburg, 1975 Oldenburg, beschreven panden met objektnummers 23, 54 en 55, niet gepubliceerd.
Hoe te citeren
GEERKEN, Gerhard. ‘Die Vorliebe der Niederländer für helle, freundliche Zimmer’. Oldenburgs stucwerk in Nederland tussen 1775 en 1925. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 158-169, sep. 2012. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Geerken158>. Datum gebruik: 23 juli 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.111.2012.3.91.
Gepubliceerd
2012-09-01