Natuurmonumenten als cultuurmonumenten. De voortdurende verandering van het begrip natuur in onze cultuur

  • Rob Dettingmeijer

Samenvatting

Dutchmen have not so much created the Netherlands as caused it. The historical landscapes are compromises between what was possible and what was desirable. The last attack on unused or sparsely used wasteland was less than one and a half century ago. Since then wasteland has been called nature conservation area. Increasing scarcity of such areas was regretted by more and more people. In a number of phases defensive protection against bringing nature into cultivation developed into an offensive that 'returned' cultivated land to nature. According to many authors this development started with the foundation of the Society for the Preservation of Nature in the Netherlands in 1905. Since the forties a national policy has started to develop, which also involved nature conservation in its assessments on physical planning. In the seventies nature conservation as a mass movement came into vogue.

Nature and a more natural life were becoming priorities for more and more people, while fear of environmental disasters and resistance against new motorways and polluting industry increased. In the eighties nature conservation was becoming more powerful and a start was made with the conversion of natural landscape into 'new nature'. In the nineties an increasing number of binding European and international treaties came into effect. The present government thinks that this is the reason why the country threatens to be locked up and tries to interpret the regulations as flexibly as possible and to economize strongly on nature. Now that nature has been forced onto the defensive, the time seems to have come when nature reserves should be able to claim protection as cultural heritage as well. For the first phase Naardermeer is the best candidate, for the second the area around Posbank and for the third Deelerwoud. The most important recently developed nature reserve is the island of Tiengemeten, which is a perfect illustration of the views and types of nature that were considered desirable and possible to make around the turn of the century.

Referenties

Geciteerd naar G. Komrij, De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in Duizend en enige gedichte, Amsterdam 1979, 10e herz. druk 1996, 528.

Zie o.a. D. Hillenius, Wat is natuur nog? 24 wandschoolplaten van M.A. Koekoek in kleur gereproduceerd. Alphen a/d Rijn 1978, 4e druk 1980, waarbij de achteruitgang van de natuur wordt gedemonstreerd aan de hand van de tot ver in de jaren zestig veelvuldig op de Lagere School gebruikte wandplaten. M. Engelen, red., Wat is natuur nog in dit land. De mooiste Nederlandse tuinverhalen en –gedichten, Amsterdam 1998, waarbij natuur merkwaardigerwijs maar wel in overeenstemming met de verzuchting van Bloem gelijkgesteld wordt met tuinen. H. van der Windt, En dan: wat is natuur nog in dit land? Natuurbescherming in Nederland 1880 – 1990, Amsterdam / Meppel 1995 [handelsuitgave dissertatie Rijksuniversiteit Groningen].

Zie voor beknopte inleiding met meest recente literatuurverwijzing: H. Renes, Op zoek naar de geschiedenis van het landschap. Handleiding voor onderzoek naar onze historische omgeving, reeks: Op zoek naar, Hilversum 2010, 3.1, Historisch overzicht, 24-38.

Zie voor Nederlandse bosgeschiedenis met accent op historisch juridische bronnen: J. Buis, Historia Forestis. Nederlandse bosgeschiedenis, Hes Studia Historica, deel 14, 2 delen, Utrecht / Wageningen 1985. Deze opvatting wordt het duidelijkst en toegankelijkst beschreven in: P. Burm, Het Nederlandse landschap, 2000 jaar mensenwerk, Utrecht/Antwerpen 2003.

H. D. Thoreau, Walden: or life in the woods, 1854, geciteerd naar J.A.M. Jansen, J.H.J. Schaminée, Red. Zee en kust. Natura 2000-gebiden. Zeist 2009. Serie: Europese natuur in Nederland, 3 delen, deel 1, algemene inleiding, 7. Walden wordt ‘de grote inspiratiebron voor ‘veel mensen […], waaronder Jac.P. Thijsse en Willem Frederik van Eeden’ genoemd. De publicatie is tot stand gekomen met subsidie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, die wel een ‘disclaimer’ over de definitieve toewijzing en begrenzing van de gebieden liet opnemen.

Zie ook artikel Jos Bosman in dit nummer. Pas bij de Eerste Nota Waddenzee 1976 werd verdere inpoldering uitgesloten. Pas de derde nota in 2006 en de Planologische Kernbeslissing gaven een dusdanig belang aan natuurwaarden en een financieel kader dat plaatsing op de World Heritage List van de UNESCO mogelijk werd. Een misschien iets rooskleurig overzicht van de bestuurlijke ontwikkelingen: H.R. Oosterveld, Een wereld van verschil. Veertig jaar beleid in het waddengebied, Leeuwarden / Den Haag 2011, uitgave van KNAW Waddenacademie en Ministerie van Economische Zaken Landbouw en Innovatie. Zie ook Jaarverslag 2009 & 2010 Waddenacademie-KNAW, s.l., s.a. [2011].

De gewone Hamster (Cricitus cricitus) is in Oost Europa in oude kleinschalige landbouwgebieden nog veel voorkomend. In Nederland kwam hij alleen voor in de kleinschalige akkers in het leem- en lössgebied van Zuid-Limburg. Na acties van o.a. Jan Dirkmaat van de Stichting Das & Boom, startte het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselproductie een herintroductie programma dat in 2005 door de Provincie Zuid-Limburg is overgenomen. Zie hun site: www.korenwolfwereld.nl , laatst geraadpleegd 1-6-2011. Zie voor acties Jan Dirkmaat: K. Dijksterhuis, Winnen van de Bierkaai. Eigenzinnige pioniers voor natuur, landschap en milieu, Utrecht 2005, met voorwoord van Herman Wijffels, Voorzitter Sociaal-Economische Raad en voorzitter Natuurmonumenten. Zie voor een hilarische site van een tegenstander: www.blenk.nl/antikorenwolf , laatst geraadpleegd 23-5-2011.

Dit mechanisme is voor Engeland al in 1978 goed in kaart gebracht in het eerste hoofdstuk, ‘Power Houses’ door M. Girouard, Life in the English Country House. A Social and Architectural History. 1978 (1), Middlesex 1980, 1-12. Voor andere landen bevestigen deelstudies wel deze tendens. Voor een populaire inleiding met literatuurlijst: I. Montijn, Naar buiten! Het verlangen naar landelijkheid in de negentiende en twintigste eeuw. Amsterdam 2002, met name hoofdstuk 1, ‘de chic van het landleven’.

Over de symbolische lading van het landschap vanuit historisch geografisch gezichtspunt is D.E. Cosgrove, Social Formation and Symbolic Landscape, Londen / Sydney 1984, wel het meest geciteerd. Een kunsthistorische visie: M. Warnke, Politische Landschaft. Zur Kunstgeschichte er Natur. München / Wenen 1992.

Meest beknopte overzicht van de historische ontwikkelingen over de verschillende natuurbegrippen in filosofie en sociale wetenschappen en de relaties met het actuele debat over het milieu: J. Barry, Environment and Social Theor, Londen/New York 2009.

Kortste en duidelijkste afweging van de periodisering bij C.S.A. van Koppen, Echte natuur. Een sociaaltheoretisch onderzoek naar natuurwaardering en natuurbescherming in de moderne samenleving, Wageningen Diss. 2002, 150-152. Hij kiest zelf 1900 als begin van ‘honderd jaar natuurbescherming’, 150. Ik houd verder zijn periodisering aan.

In 1865 schonk het Amerikaanse congres de vallei van Yosemite al aan de staat Californië om de natuurwaarden te behouden. Het gebied van Yellowstone lag in twee staten en daarom was die oplossing niet mogelijk en werd het in 1872 een nationaal natuurgebied dat later de titel Nationaal Park kreeg. Zie A.L. Haines, Yellowstone National Park. Its Exploration and Establishmen, Washington 1974. In Nederland is De Veluwezoom een gebied van Natuurmonumenten dat het eerste als ‘Nationaal Park’ benoemd wordt. Pas in 1950 komt het eerste Nationale Park, de Kennemer Duinen tot stand, waarbij de overheid - Rijk, Provincie en de Gemeente Amsterdam als eigenaar van de Waterleidingsduinen - betrokken zijn. H.P. Gorter, Ruimte voor natuur. 80 jaar bezig voor de natuur van de stoekoms, ’s-Gravenland 1986, Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten,281-286. Gorter was directeur van de vereniging van 1947 tot 1979 en lid van de Natuurbeschermingsraad tot 1984.

A. van de Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798 – 1948, Amsterdam 1987, Diss. Groningen 1987, waarbij 81–142 over bedreigingen en onbegaanbaarheid. Zie ook hoofdstuk 10, woeste grond, over ‘onland’ en ‘ontginningen’, 213-242. Van der Woud is een felle tegenstander van het maken van ‘nieuwe natuur’, die hij een ambtelijke constructie noemt en jij vervolgt:Érger vind ik dat de komst van de Ecologische Hoofdstructuur een fundamentele breuk is met de eeuwenoude omgang met cultuurlandschap in Nederland. We moesten na 1990 gaan geloven dat we in de loop der eeuwen grond van de natuur hadden afgepakt […]’ De stad eet land. Voedsel en de transformatie van het landschap, Groeneveldlezing 2009, www.rug.nl/staff/a.van.der.woud/Groeneveldlezing2009/pdf ,4.

Een beknopt overzicht van de feiten en mogelijke strategieën tot behoud van biodiversiteit: L. kaufman, K. Mallory, eds, The Last Extinction. Cambridge, Mass. / Londen 1986. Vaak wordt het verschijnen van het boek van R. Carson, Silent Spring. 1e druk 1962, Nederlandse vertaling, Dode lente, 1964, als begin van de milieubeweging gezien. In Nederland ziet de Vereniging Milieudefensie zich als ‘erfgenaam’. Zie ook: Silent Spring. 40th Anniversary edition, with essays by Edward O. Wilson and Linda Lear, Boston / New York 2002. Voor meest actuele overzicht Nederland: J. Noordijk et al, De Nederlandse biodiversiteit, Nederlandse fauna 10, Leiden 2010.

Zie voor acties van de Vereniging o.a. Gorter 1986 (noot14): Deelerwoud, 353-358; Zwanenwater, 380-382; Geuldal 319-323. Voor een algemene geschiedschrijving met chronologie van belangrijkste gebeurtenissen, doelstellingen en acties van de verschillende natuurorganisaties maar ook met aandacht voor wetten en regelingen: M. Coesèl, J. Schaminée en L. van Vuuren, De Natuur als bondgenoot. De wereld van Heimans en Thijsse in historisch perspectief, Zeist 2007.

Van Koppen 2002, (noot 13), 162 – 169. Voor veelgebruikte en veel geciteerde inleiding in de systeemecologie zie K. Bakker e.a. (red.), Inleiding in de oecologie. Utrecht 1985.

W.A.H. Asman e.a., Het Kromme-Rijnlandschap een ekologische visie. Reeks Natuur en Milieu, nr. 4. Amsterdam 1974, met voorwoord van I. Vorrink, minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne.

Van Koppen 2002, (noot 13), 170. Een mooie subjectieve verkenning van de richtingenstrijd met delen die je tot ‘oral history’ zou kunnen rekenen: T. Metz, Nieuwe natuur. Reportages over veranderend landschap, Amsterdam 1998.

F. Vera, V. Westhoff, ‘Natuurbehoud en natuur-ontwikkeling: twee middelen om één doel te bereiken’, in: Blauwe Kamer 1992, 5, 30-32.

M. Woestenburg, ‘Victor Westhoff (1919-2001) Plantensocioloog, Natuurbeschermer, dichter,’ in: Blauwe Kamer 2001, 2, 10-11, situeert het begin van de discussie ook in 1990 wanneer Westhoff in het NRC Handelsblad de plannen om de zomerdijken bij de uiterwaarden door te steken en te verlagen om ‘nieuwe natuur’te laten ontstaan ‘ondoordacht’ noemt. Het al veel langer ontwikkelende nieuwe beleid wordt pas volledig onder woorden gebracht in F. Baerselman en F.W.M. Vera, Natuurontwikkeling, Ministerie van Landbouw en Visserij, Den Haag 1989, Bij L&V was ook milieu(beheer) en Staatsbosbeheer ondergebracht.

V. Westhoff e.a., Wilde planten. Flora en vergetatie in onze natuurgebieden. 3 delen, s.l. [’s Graveland] 1e druk 1970, 4e druk 1972, 11. Voor omschrijving en argumentatie van de blauwgraslanden als de ultieme fraaie en complexe biotoop: deel 2, 93-94. Er zijn meer dan 100.000 exemplaren van verkocht.

F.W.M. Vera, Metaforen voor de wildernis. Eik, hazelaar, rund en paard, Den Haag Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 1997. Er zijn twee problemen aan dit beeld wat betreft de wetenschap. Er is weinig tot geen bewijs dat dit landschap in de Noordduitse laagvlakte echt dominant is geweest. Eik en hazelaar kwamen weliswaar veel voor, maar het zal zeer veel moeite kosten en daar zijn de landinrichters van de richting Vera bijna niet in geïnteresseerd, om werkelijk inheemse bomen en struiken weer, al is het maar enige rol van betekenis, te laten spelen. Zie: B. Maes (red.), Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Amsterdam 2006. Zie voor gegevens Eik, 216, Hazelaar, 119-122. Kritiek op en definitie van arcadische natuur Van Koppen 2002, (noot 13) hoofdstuk 6, ‘de schepping van arcadische natuur’.
, C.J. Bastmeijer, Ieder voor zich en de natuur voor ons allen. Over de relatie tussen mens en natuur en de toekomst van het natuurbeschermingsrecht. Inaugurale rede, Tilburg 2010, Den Haag 2011, 71-86. K. Baakman, Testing Times: the Effectiveness of Five International Biodiversity-Related Conventions. Diss. Tilburg 2011.

R.C.M. Arnouts, en F.H. Kistenkas, ‘Nederland op slot door Natura 2000: de discussie ontrafeld. Bijlage bij idem, de deur klemt, Wageningen Alterra, WOt (Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu) paper 7, april 2011. De in oktober ingediende conept wet Natuurbescherming die een groot aantal regelingen en wetten zou moeten combineren en vervangen heeft vanuit verscheidene richtingen al kritiek opgeroepen omdat de regelgeving en handhaving vooral versoberd en dusdanig veralgemeniseerd wordt dat ook door de effecten van deze wet de natuur eerder achteruit dan vooruit zal gaan.

J.P. Thijsse, Voorwoord, in: E.M. van Zinderen Bakker, Het Naardermeer. Een geologische, historische en botanische Landschapsbeschrijving van Nederlands oudste natuurmonument. Amsterdam 1942, 7-10, 7. Zie voor nu in gang zijnde ontwikkelingen, waarbij oude gebied door nieuwe moerassen wordt omgeven: A. Boosten, Red., Meer Meer. 13 jaar herstelplan Naardermeer, ’s-Graveland, Vereniging natuurmonumenten, 2006.

Behalve uit hier boven vermelde literatuur zijn alle hierna genoemde gegevens overgenomen uit: A. Beintema, Het begon met het Naardermeer. Honderd jaar natuurmonument. ’s-Gravenland 2005. Het Naardermeer werd vooral bekend door J.P. Thijsse, Het Naardermeer, Zaandam, Verkade, 1912. De invloed van J.P. Thijsse in het algemeen en zijn bijdrage aan de ‘Verkade-albums’ kan moeilijk overschat worden. Zie M. Coèsel, Natuurlijk Verkade. Het verhaal van de albums, Warnsveld 1999.

H.J.A. Berendsen, Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’, Assen 2008, 119-141, 132.

Gorter 1986, (noot 14), 279-281. Op het hoogtepunt enige jaren terug was het ledental bijna een miljoen. Op dit ogenblik bedraagt het ca. 750.000 leden. W. van Beek e.a., red., 365 x de natuur in met Natuurmonumenten, ’s Graveland / Arnhem 2011, 8. Zie voor geschiedenis aankoop en moeizame positie van medewerkers voor grootgrondbezitters als particulier of als NGO’s en de bezittingen van de familie Pelletier: W. Reinink Kunstgeschiedenis. Een levensloop, Bussum 2011, i.h.b. 268-269.

J.H.J. Schaminée en J.A.M. Janssen, Red., Hoog Nederland. Europese natuurgebieden in Nederland. Natura 2000- gebieden, Zeist 2009, uitgegeven KNNV i.s.m. Alterra Wageningen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 112-125. Van Beek 2011 (noot 31) 134-135, ook geraadpleegde eerdere gidsen van Natuurmonumenten verschenen in 1949, 1957, 1962, 1971 1980, 1985, 1991, 1996, 2001, 2006.

Metz 1998, (noot 20) , 9-14.

R. Posthoorn (red.), Ontwikkelingsvisie Tiengemeten. Eiland van wildernis, weelde en weemoed, Lelystad 2000, Kernteam Tiengemeten, Ministerie van LNV, Natuurmonumenten, Rijkswaterstaat directie Zuid-Holland, Provincie Zuid-Holland etc., is als basis gebruikt en verder de folder/wandelgids van Natuurmonumenten zomer 2011.

Bastmeijer 2011(noot25), 83, haalt NIPO enquête uit september 2009 aan waarbij 95 % van de Nederlanders natuur tamelijk tot heel belangrijk vindt, 80 % vindt dat er ook in economisch moeilijke tijden geld in natuur moet worden geïnvesteerd en 74 % steunt dan nog aankopen van landbouwgrond om die terug te geven aan de natuur. Meest eloquent en recent wordt dit verzet tegen modernisering en aantasting van natuur en landschap verwoordt door W. van Toorn, Het grote landschapsboek, Amsterdam / Antwerpen 2011, met foto’s (zwart wit) van Theo Baart.

Zie bijvoorbeeld de rapportages over de situatie in Europa, waarbij Nederland slecht scoort: Vogelbalans 2010, de belangrijkste conclusies, in: K. Koffijberg e.a., Vogelbalans, thema biodiversiteit 2010, Nijmegen 2010, 4; www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/ nl1440-Ontwikkelingenbiodiversiteit-%28MSA%29.html?=2-76 geraadpleegd juli 2011, met statistieken en schema’s.

Zie o.a.: Bastmeijer 2011 (noot 25),81, voert een vurig pleidooi voor strikte handhaving en verbaast zich vanuit zijn juridische achtergrond over de interpretaties van de huidige regering.

Biografie auteur

Rob Dettingmeijer
Dr. R. Dettingmeijer gaf les in en doet onderzoek naar de geschiedenis en theorie van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en visuele cultuur. Hij studeerde kunstgeschiedenis en archeologie aan de Universiteit Utrecht en promoveerde daar op de dissertatie Open Stad, planontwikkeling, stedebouw, volkshuisvesting en architektuur in Rotterdam tussen de twee Wereldoorlogen (1988). Hij was een van de oprichters van het European Architectural History Network. Van de tentoonstelling Rietvelds Universum, was hij gastcurator en redacteur van de gelijknamige publicatie (Rotterdam/Utrecht 2010).
Hoe te citeren
DETTINGMEIJER, Rob. Natuurmonumenten als cultuurmonumenten. De voortdurende verandering van het begrip natuur in onze cultuur. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 198-209, dec. 2011. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Dettingmeijer198>. Datum gebruik: 21 juli 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.110.2011.6.88.
Gepubliceerd
2011-12-01