‘Zijn we niet allen verheugd als we weer een nieuwe reis kunnen beginnen?’ D.F. Slothouwer en zijn Prix de Rome reis

  • Herman van Bergeijk TU Delft, Architecture

Samenvatting

In 1905, Dirk Frederik Slothouwer, who was born in the Dutch East Indies, graduated from the Delft Polytechnic School and in 1926 he was appointed full professor there. Today, he is perhaps still known as the writer of various books on the history of architecture. Besides his book about the palaces of Frederik Hendrik, his study of Dutch Renaissance in Denmark is especially noteworthy. With this study he obtained his doctorate in Delft in 1924, making him the first construction engineer to earn that title. His dissertation was mainly the result of literature study and of several journeys Slothouwer undertook to the Scandinavian country. Already in 1906, Slothouwer had taken part in the Prix de Rome competition. There were three candidates and eventually J.M. van der Mey took first prize.

Three years later, Slothouwer entered the competition again. This time he was the only competitor, affected was interpreted by many as an unambiguous sign that interest in taking part in the competition was waning. Nevertheless, the jury was of the opinion that the work he had submitted and realized met their expectations and he was awarded a sum of money that enabled him to travel through Europe for three years. He did have to report regularly and have his drawings judged by the director of the Dutch National Academy of Fine Arts. These drawings and measurements were presented to a wider audience in exhibitions. Slothouwer use these opportunities to make a name for himself. The finest drawings were displayed, accompanied by short explanatory texts. He also regularly published articles about his experiences in various trade journals.

Thanks to documentation and a great number of drawings that were recently given on loan to the Faculty of Architecture of the Technical University Delft by his granddaughter, it is now possible to make a detailed reconstruction of the journeys that Slothouwer made to some of the farthest corners of the European continent and establish a relation between the journeys and the architectural school he championed. The drawings also offer an opportunity to reflect on the importance of travel sketches and to ask ourselves what role historic examples play in determining one’s own position within the world of architecture. In his sketches Slothouwer demonstrates a clear preference for historic monuments. There are hardly any drawings of modern architecture.

From his reports, however, it is clear that he was in contact with many prominent architects in Germany and was fully informed about the most recent developments, although the architecture of the members of the German Werkbund did not appeal to him. Slothouwer’s preference clearly lay with the architecture of the Scandinavian countries as he recognized in it certain characteristics that allowed him to draw parallels with the architecture of his own country. Especially the way in which the tradition was carried on there while at the same time demonstrating classical concept of beauty, very much appealed to him. He was not so much looking for purity as for an amalgamation of various opposite architectural schools into a harmonic whole. To this end he looked to the south, to Italy, on the one hand and to the Norse, the Scandinavian countries, on the other hand. His own position was right in the middle between both fronts.

Referenties

Voor de geschiedenis van de Prix de Rome zie: H. Goes en J. van der Werf, ‘”Puinhopen eener oude beschaving”. De Prix de Rome voor Schoone Bouwkunst’, Archis (1986) 3, 41-52; M. Tuijn (red.), Prix de Rome MDCCCVIII-MMVIII, Amsterdam 2008; C.P. Krabbe, Droomreis op papier. De Prix de Rome en de Nederlandse architectuur (1808-1851), Leiden 2009.

Voor Van der Mey en zijn reis zie: H. Boterenbrood en J. Prang, Van der Mey en het Scheepvaarthuis, Den Haag 1989.

K[romhout]., ‘De Prijskamp in de schoone Bouwkunst. (De z.g. “Prix de Rome”)’, Architectura (1906) 47, 386.

Archief Slothouwer, Technische Universiteit Delft (TU Delft). Het archief is door een kleindochter van Slothouwer in bruikleen gegeven.

‘Wetenschap en kunst’, Het Nieuws van den Dag, 7 april 1903, tweede blad, 5.

‘Vereniging Bouwkunst en Vriendschap – Prijsvragen 1905’, Bouwkundig Weekblad (1906) 4, 48. Zie ook: ‘Prijsvragen Bouwkunst en Vriendschap’, Architectura (1906) 1, 3.

Voor Hanrath zie: M. van Aalst, ‘“Wij hebben met Hanrath een huis gebouwd”. Hanrath’s gebouwen in Hilversum’, Hilversums Historisch Tijdschrift - Eigen Perk (2006) 3, 101-116.

In het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam worden enkele tekeningen van Slothouwer van het trappenhuis van het Vredespaleis bewaard. Net als Slothouwer zal ook Rosse later als hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft worden benoemd. NAi, tekeningen van het Vredespaleis.

‘De prijsvraag in de Schoone Bouwkunst’, De Opmerker (1906) 47, 369-370.

R. Chafee, ‘The teaching of architecture at the École des Beaux-Arts’, in: A. Drexler (red.), The architecture of the École des Beaux-Arts, Londen 1977, 86; R.A. Moore, ‘Academic Dessin Theory in France after the reorganization of 1863’, Journal of Society of Architectural Historians, 36 (1977) 3, 145-175.

‘De prijsvraag in de Schoone Bouwkunst’ 1906 (noot 9).

K[romhout]. 1906 (noot 3).

D.F. Slothouwer, ‘M. Maquet en de Mont des Arts’, Bouwkundig Weekblad (1909) 19, 218-220.

A.H., ‘Kroniek – Prix de Rome – ontwerp Academie van Beeldende Kunsten’, Bouwkundig Weekblad (1909) 51, 609-611.

‘De Prix-de-Rome 1909’, De Bouwwereld (1909), 399-400.

J. van der Werf e.a., Uitgesproken talent. De Prix de Rome voor de schoone bouwkunst, Rotterdam 1990.

A.H. 1909 (noot 14).

‘Instructie voor den Heer D.F. Slothouwer, bij Koninklijk besluit van 14 december 1909’, Archief Slothouwer, TU Delft.

De citaten uit de verslagen komen uit de handgeschreven en met de typemachine geschreven exemplaren die zich in het Archief Slothouwer op de TU Delft bevinden. Gegevens over Slothouwer en de Prix de Rome bevinden zich ook in het Noord-Hollands Archief, nr. 90, Rijksacademie van Beeldende Kunsten, Amsterdam, archiefstukken 222 en 254.

C. Galonska en F. Elstner, Gartenstadt Hellerau - Garden City of Hellerau, Chemnitz 2007.

D.F. Slothouwer, ‘Notities van een reis door Duitschland. Fragment’, Bouwkunst (1911), 84-90.

D.F. Slothouwer, Bouwkunst der Nederlandsche renaissance in Denemarken, Amsterdam 1924. Hetzelfde wordt aan de orde gesteld in A.A. Kok, Nederlandsche bouwkunst langs de Oostzee, Goes 1918.

Hier geciteerd naar: Bouwkundig Weekblad ( 1911) 14, 168.

J.G., ‘Teekeningen van D.F. Slothouwer’, Bouwkundig Weekblad (1911) 17, 201-202.

J. Gratama, ‘Prix de Rome – Bouwkunst’, Bouwkundig Weekblad (1912) 18, 206-207.

Gratama 1912 (noot 25).

W. v.d. P[luym]., ‘Tentoonstelling in de Rijks-academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam’, Architectura (1913) 22, 179-178.

Biografie auteur

Herman van Bergeijk, TU Delft, Architecture
Dr. H.D. van Bergeijk studeerde kunstgeschiedenis en filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen en vervolgens architectuurgeschiedenis aan de Architectuuruniversiteit van Venetië. In 1995 promoveerde hij in Groningen met een proefschrift over W.M. Dudok. Sinds 1997 is hij als docent architectuurgeschiedenis verbonden aan het IHAAU (Institute of History of Art, Architecture and Urbanism) van de Faculteit Bouwkunde (TU Delft). Behalve over Italiaanse architectuur uit de zestiende en zeventiende eeuw heeft hij vooral gepubliceerd over de Nederlandse architectuur tijdens het Interbellum. Een omvangrijke studie over het werk van Jan Duiker zal in 2013 worden gepubliceerd.
Hoe te citeren
VAN BERGEIJK, Herman. ‘Zijn we niet allen verheugd als we weer een nieuwe reis kunnen beginnen?’ D.F. Slothouwer en zijn Prix de Rome reis. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 211-220, dec. 2012. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/Bergeijk211>. Datum gebruik: 19 sep. 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.111.2012.4.355.
Gepubliceerd
2012-12-01