De polderkaart van Nederland. Een instrument voor de ruimtelijke ontwikkeling van het laagland

  • Steffen Nijhuis
  • Michiel Pouderoijen

Samenvatting

The Dutch lowlands consist mainly of polders, areas where water levels are artificially controlled so people can live and work there. This century-old interaction between man and water has produced a rich and of their right polder landscape. The great variety in polder shapes is caused by differences in the geological subsoil, the dynamics of water and land and human intervention.

The Dutch lowlands of today are gradually transformed into multifunctional spaces where uses such as leisure and tourism, nature, water storage and housing become more and more important besides agriculture. These developments put pressure on the quality of the space. The key to solving many spatial issues lies in the wealth of shapes of the polder landscape itself. Therefore it is necessary to ‘read’ this landscape correctly in order to retrieve the information and design knowledge that lies hidden within it and then apply them in the right way.

De polderkaart van Nederland (The Polder Map of the Netherlands) systematically visualises the wealth in shapes of the polder landscape. Polders are not just regarded as hydraulic phenomena but also as spatial constructions: the polder landscape as we can see and experience it. This combination provides us with clues to steer developments in the right direction and guarantee their spatial quality. The map focuses on the polder as both an hydraulic and spatial landscape unity, revealing its cohesion through systematic analysis and cartography.

The use of Geographic Information Systems (GIS) not only ensures precision work, but also makes it possible to link information to the map, turning it into a spatial database. The spatial shape is derived from the combination of the Hydraulic Map first edition 1865-1891 and the Topographic and Military Map 1850-1864 (TMK), supplemented with all land reclaimed after 1850. The map shows all water level management areas and hydraulic polders in the lower parts of the Netherlands together with their specific boundaries. Within this framework, the polders are designated as spatial units.

Also, based on the Geographical Dictionary of the Netherlands (Van der Aa, 1939-1851), a database was created with all the polders that are mentioned in this dictionary. This information makes it possible to supplement and check the data from the TMK and Hydraulic Map. By applying GIS the information can become spatial and available for analysis. The map provides both an overview and a ‘benchmark’, a point of reference from which the history of the polder landscape can be reconstructed and that provides a perspective of the present and the future.

This article provides a brief outline and a state of affairs of the research in connection with the polder map. It also describes hitherto unpublished backgrounds and places the map within the context of development-oriented landscape research. The article demonstrates how the connection between hydraulic and landscape-spatial aspects of the Dutch polder landscape may be mapped, and that the polder map can be an instrument in the spatial research and development of the polder landscape.

Referenties

1 S. Nijhuis en I. Bobbink, ‘The dynamics of the Dutch Delta’ in: H. Meyer, I. Bobbink en S. Nijhuis (red.), Delta Urbanism. The Netherlands, Chicago 2010, 3-19.

2 Zie bijvoorbeeld: E. Beukers (red.), Hollanders en het water. Twintig eeuwen strijd en profijt, Hilversum 2007; J. Renes, ‘Introduction: water management and cultural landscapes in The Netherlands’, in: H.S. Danner e.a. (red.), Polder pioneers. The influence of Dutch engineers on water management in Europe, 1600-2000, Utrecht 2005 (NGS 338), 13-29; G.P. van der Ven (red.), Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland, Utrecht 2003.

3 Zie bijvoorbeeld: S. Nijhuis, Openheid Laag-Holland. Meten aan landschappelijke ruimte, Delft 2012; S. Nijhuis, ‘Landscape policy and visual landscape assessment. The Province Noord-Holland as a case study’, in: S. Nijhuis, R. van Lammeren en F.D. van der Hoeven (red.), Exploring the Visual Landscape. Advances in Physiognomic Landscape Research. Amsterdam 2011, 229-259.

4 Het onderzoek naar de landschaps­architectuur van het Nederlandse laagland wordt uitgevoerd door de leerstoel Landschapsarchitectuur, Faculteit Bouwkunde, TU Delft. De belangrijkste onderzoeksresultaten zijn beschreven in: C.M. Steenbergen, W. Reh, S. Nijhuis en M.T. Pouderoijen, De Polderatlas van Nederland. Pantheon der Lage Landen, Bussum 2009; W. Reh, C.M. Steenbergen en D. Aten, Zee van Land, Wormerveer 2005.

5 A.A. Beekman, Nederland als polder-land, Zutphen 1884.

6 Zie o.a.: C.C. Geertsema, De zeewerin-gen, waterschappen en polders van de provincie Groningen, Groningen 1910; D. Kooiman, De zeeweringen en waterschappen van Noordholland, Alphen aan den Rijn 1936; L.F. Teixeira de Mattos, De waterkeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, Den Haag 1906-1961; R.H.J. Morra, Bedijkingskaart van Nederland, Den Haag 1944; E. Schulz, Waterbeheersing van de Nederlandse droogmakerijen, Delft 1992.

7 A. Geuze en F. Feddes, Polders. Gedicht Nederland, Rotterdam 2005.

8 C. Koeman, ‘Levels of Historical Evidence in Early Maps (With Examples)’, Imago Mundi 22 (1968), 75-80; E. van Mingroot, ‘De oude kaart als historische bron’, in: D. de Vries (red.), Kaarten met geschiedenis 1550-1800. Een selectie van oude getekende kaarten van Nederland uit de Collectie Bodel Nijenhuis, Utrecht 1989, 16-30; W.A. Ligtendag, ‘Oude kaarten als kenbron voor verleden en toekomst’, Historisch-Geografisch Tijdschrift 9 (1991) 3, 77-87; M. Donkersloot-de Vrij, Topografische kaarten van Nederland. Een typologische toelichting ten behoeve van het gebruik van oude kaarten bij landschapsonderzoek, Alphen aan den Rijn 1995.

9 Gebaseerd op waterstaatkundige definities van ‘polder’, in: J.C. Hooghart (red.), Verklarende Hydrologische Woordenlijst, Delft 1986, 67; H.S. Danner, B. van Rijswijk, C. Streefkerk en F.D. Zeiler, Pol­derlands. Glossarium van waterstaats­termen, Wormer 2009, 104.

10 A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woor­denboek der Nederlanden, Amsterdam/Gorinchem 1839 -1851 (13 delen).

11 M. Martin en C. Wagenaar, ‘Stads­verfraaiing en stadsuitbreiding’, in: E. Taverne en I. Visser (red.), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden, Nijmegen 1993, 124-129; H. Engel, ‘Randstad Holland in kaart’, OverHolland 2 (2005), 23-44; J.E. Abrahamse en R. Rutte, ‘Stadswording in Nederland. Tien eeuwen ruimtelijke ontwikkeling in vogelvlucht’, in: E. Taverne e.a. (red.), Nederland Stedenland. Continu˝teit en vernieuwing. Rotterdam 2012, 41-56.

12 A. van der Woud, Het lege land. De Ruimtelijke Orde van Nederland, 1798-1848, Amsterdam 1987; B. de Pater, ‘Veran­derend landschap. Van een vage orde naar een strakke ordening’, in: H. Baas e.a., Jonge Landschappen 1800-1940, Utrecht 1994.

13 C. Koeman, Handleiding voor de studie van topografische kaarten van Nederland 1750-1850, Culemborg 1978, 63-69; W. Uitterhoeve, Cornelis Kraijenhoff (1758-1840). Een loopbaan onder vijf regeervormen, Nijmegen 2009.

14 J.A. van der Linden, Topografische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden, Bussum 1973.

15 Koeman 1978 (noot 13), 92.

16 J. van der Kleij, ‘Het ontstaan en de geschiedenis, de functie en de betekenis van de Waterstaatskaart en de karto­grafische aspecten ervan’, Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 82 (1965) 4, 409-429; M. Blauw, Geschiedenis van de Waterstaatskaart van Nederland 1865-1992, Utrecht 2003.

17 De voorlopige kaart in kaartbladen is terug te vinden in: Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 89-159.

18 Hooghart 1986 (noot 9), 75.

19 Daarvan zijn de 137 bladen gebruikt die het Nederlandse laagland omvatten, 134 bladen van de eerste editie en 3 ontbrekende bladen van de tweede editie.

20 Topografische Dienst-Kadaster, uitgave 2003-2006.

21 Voor een nadere toelichting op de le­genda-eenheden wordt verwezen naar: Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 86-88.

22 J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw, 1500-2000, Amsterdam 2008, 76ff; S. Barends e.a., Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering, Utrecht 2000; G.J. Borger, ‘Draining, digging, dredging. The creation of a new landscape in the peat areas of the low countries’, in: J.T.A. Verhoeven (red.), Fens and bogs in the Netherlands. Vegetation, History, Nutrient dynamics and Conser­vation, Dordrecht/Boston/London ­1992, 131-171.

23 Teixeira de Mattos 1906-1961 (noot 6); Rijkswaterstaat, Beschrijving van de provincie [`], behorende bij de waterstaatskaart, ‘s-Gravenhage 1937-1991; Schulz 1992 (noot 6); P.D. Groote, Kapitaalvorming in infrastructuur in Nederland, 1800-1913, Groningen 1995; Geuze en Feddes 2005 (noot 7); L. Giebels en C. Streefkerk, Waterschapsarchieven database (WAD), 2007.

24 Van der Aa 1839 -1851 (noot 10).

25 Dit geduldige werk werd uitgevoerd door B. van den Heuvel.

26 Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 176-195.

27 H.A. Visscher, Het Nederlandse Landschap. Een typologie ten behoeve van het milieubeheer, Utrecht/Antwerpen 1972; J.I.S. Zonneveld, Levend land. De geo­grafie van het Nederlandse landschap, Utrecht/Antwerpen 1985; H.J.A. Berendsen, Landschappelijk Nederland, Assen 2000 (Fysische geografie van Nederland IV); J.C. Piket, J.T.R. Kalkhoven, A.A. de Veer en W. Vos, Landschap, ‘s-Graven­hage 1987 (Wetenschappelijke atlas van Nederland 16).

28 Stichting voor Bodemkartering (StiBoKa), uitgave 1964-1995; toelichting op het digitaal vectorbestand: F. de Vries en J. Denneboom, De Bodemkaart van Nederland digitaal, Wageningen 1999.

29 StiBoKa en Rijks Geologische Dienst, uitgave 1998-2004; toelichting op het digitaal vectorbestand: A.J.M. Koomen en G.J. Maas, Geomorfologische Kaart van Nederland (GKN). Achtergrondrapport bij landsdekkende digitale bestand, Wageningen 2004.

30 Topografische Dienst-Kadaster, uitgave 2003-2006.

31 Cf. C.H. Edelman, ‘Voorlopige bodemkaart van Nederland, schaal 1:400.000’, in: Inleiding tot de bodemkunde van Nederland, Amsterdam 1950, bijlage.

32 A.L.P. Buitelaar, De Stichtse ministeria­liteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek, Hilversum 1993; J.K. de Cock, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag, Arnhem 1980; H. van der Linden, De cope. Bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands-Utrechtse laagvlakte, Assen 1956; G.J. Mentink en J. van Os, Over-Betuwe. Geschiedenis van een polderland 1327-1977, Zutphen 1985; StiBoKa, De bodemkaart van Nederland. Toelichting op de bodem-kaart 1:200.000, Wageningen 1961-1965 (12 delen; beschrijving per provincie).

33 Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 28-29.

34 C.M. Steenbergen, W. Reh, Architectuur en Landschap. Het ontwerpexperiment van de klassieke tuinen en landschappen, Bussum 2003, 381-389.

35 Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 28-29.

36 Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 199-469.

37 Steenbergen e.a. 2009 (noot 4), 20-21.

38 Voor een uitwerking van de begrippen ontwerponderzoek en ontwerpend onderzoek verwijzen we naar: S. Nijhuis en I. Bobbink ‘Design-related research in landscape architecture’, Journal of Design Research 10 (2012) 4, 239-257.

39 S. Nijhuis, ‘Westvaart als landschapsarchitectonische ontwerpopgave’, in: Westvaart in de polder. 4 ontwerpen voor een verdwenen 7-molengang, Leiden 2006, 35-37.

##submission.authorBiographies##

Steffen Nijhuis
S. Nijhuis is senior onderzoeker en universitair docent landschapsarchitectuur bij de Technische Universiteit Delft, Faculteit Bouwkunde, leerstoel Landschapsarchitectuur. De kern van zijn werk bestaat uit onderzoek naar theorieën, methoden en technieken op het gebied van landschapsarchitectuur en stedenbouw: ontwerponderzoek, ontwerpend onderzoek, landschapsbeeldkartering en visuele representatie. Zijn promotieonderzoek, Landschapsarchitectuur en GIS, richt zich op de toepassing van Geografische Informatie Systemen (GIS) in landschapsarchitectonisch onderzoek en ontwerp. Hij is coördinator van het onderzoeksprogramma Architectuur en Landschap, MSc-afstudeerstudio landschapsarchitectuur en methodologievakken. Daarnaast is hij serieredacteur van RiUS en adviseur van verschillende rijks- en regionale overheden. Hij is auteur van tal van (inter)nationale publicaties.
Michiel Pouderoijen
M.T. Pouderoijen is sinds 2005 als onderzoeker verbonden aan de leerstoel Landschapsarchitectuur van de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Hij heeft uitgebreide kennis van kaarten en digitale data en toepassingsmethodes en technieken van GIS in ruimtelijk onderzoek. Hij werkte aan diverse tentoonstellingen en leverde bijdragen aan tal van publicaties. Op dit moment werkt hij aan verschillende onderzoeksprojecten die betrekking hebben op deltalandschappen in binnen- en buitenland.
Hoe te citeren
NIJHUIS, Steffen; POUDEROIJEN, Michiel. De polderkaart van Nederland. Een instrument voor de ruimtelijke ontwikkeling van het laagland. Bulletin KNOB, [S.l.], p. 137-151, sep. 2013. ISSN 2589-3343. Beschikbaar op: <https://journals.open.tudelft.nl/index.php/knob/article/view/626>. Datum gebruik: 15 nov. 2018 doi: https://doi.org/10.7480/knob.112.2013.3.626.
Gepubliceerd
2013-09-01